Het Amerikaanse model

Dertig jaar geleden, van 1968 tot 1970, woonde ik met een beurs van het Japanse Ministerie van Onderwijs twee jaren in Japan. In het eerste jaar woonde ik in Sapporo omdat mijn hart toen nog uitging naar de rurale sociologie, dat ik ging studeren aan de eerbiedwaardige Hokkaido Universiteit. Bleekgezichten in het straatbeeld van het Sapporo van voor de Winterspelen waren een uitzondering. Wanneer ik op Sapporo's centrale overdekte en kaarsrechte winkelstraat liep, kon ik de plaatselijke zendeling vaak al op een afstand van een kilometer zien aankomen, anderhalve kop groter dan de hem omringende stroom van Japanners. Na verloop van tijd begon ik in de gezichten van mijn plaatsgenoten allerlei familieleden en vrienden uit Nederland te herkennen, zodat ik mij er telkens weer aan moest herinneren dat zo'n vriendelijke Japanse meneer natuurlijk toch echt niet een meester van mijn lagere school kon zijn.

Wellicht om te voorkomen dat ik helemaal van Nederland zou vervreemden, hadden mijn ouders mij een abonnement op de overzeese editie van de NRC geschonken. Nu ik opnieuw uit Nederland ben geëmigreerd heb ik weer een abonnement op de overzeese editie van deze krant.

Dat papier is inmiddels lang zo dun niet meer als dertig jaar geleden, en ook de omvang van het blad is sterk toegenomen. Het nummer van 14 maart had bijvoorbeeld het portret van Peper in achtvoud op de voorpagina, te zamen met de opwekkende mededeling `Ouderen moeten langer werken'. Binnenin bevatte het onder andere de bespreking door columnist Paul Schnabel van het proefschrift van Jeroen Bartelse, Concentrating the Minds van februari 1999, over de invoering en praktijk van de onderzoeksschool. Naar aanleiding van dit proefschrift laat collega Schnabel zich ontvallen dat ``in Nederland (...) toch het Amerikaanse model vrij algemeen ingang gevonden'' heeft.

Nu kan het best waar zijn dat de Nederlandse ontwerpers van de onderzoeksschool, dachten dat ze te onzent de Amerikaanse Graduate School invoerden, maar dat deden ze natuurlijk helemaal niet. De Nederlandse onderzoeksschool is het wonderlijke product van een kruising tussen het slecht begrepen idee van de Graduate School en de frustratie van het departement in Zoetermeer over zijn onvermogen greep te krijgen op het Nederlandse universitaire onderzoek. De bastaard is dan ook in vele opzichten een typisch Hollands bleekneusje want het is nu eenmaal onmogelijk om één element uit het hele Amerikaanse systeem van onderwijs los te maken en te transplanteren.

Natuurlijk ben ik op dit moment lid van de Graduate School van de Faculty of Arts and Sciences van Harvard, want alle docenten verbonden aan de Faculty of Arts and Sciences doceren binnen de Graduate School. De Graduate School valt qua onderzoekers eenvoudigweg samen met de wetenschappelijke staf van een instelling met een graduate program, en van interuniversitaire samenwerking is aan deze zijde van de oceaan geen sprake. Bovendien is de Graduate School in dit geval niet alleen faculteit-breed, ze is zelfs universiteit-breed want de meest wereldvreemde spijkerschriftgeleerden zitten samen met de meest wereldvreemde computergeleerden, en de sinologen, astronomen, fysici en anglisten zitten samen in dezelfde Graduate School (we hebben het hier niet over nuttige beroepsopleidingen als de Medical School, de Business School of de Law school, want dat is een verhaal apart).

Natuurlijk werken we niet allemaal samen binnen één onderwijsprogramma, want de Graduate School beheert en administreert een grote variëteit van Master programs en PhD programs. Omdat de nadruk valt op het onderwijsprogramma wordt eerder gekeken naar de breedte en verscheidenheid van het onderzoek dan naar de thematische en methodologische samenhang. In het voorstel voor de instelling van een Ph.D. Program in African American Studies dat dit voorjaar werd goedgekeurd is wel een lijst te vinden van de zittende staf en hun brede terrein van onderzoek (filosofie, kunstgeschiedenis, `Afro-American Studies'), maar geen gedetailleerd onderzoeksprogramma. Een Graduate School is in de eerste plaats een conglomeraat van onderwijsprogramma's. Onderzoeksplanning en onderzoeksbeleid behoren niet tot de taken van de Graduate School. Sinds mijn aankomst heeft dan ook nog geen mens gevraagd binnen welk programma mijn onderzoek ondergebracht zou moeten worden. Sterker nog, mijn directe collega's weten niet eens dat zoiets als onderzoeksinventarisatie elders in het universum bestaat en hebben de grootste moeite zich iets voor te stellen bij woorden als onderzoeksplanning en onderzoeksbeleid. Vragen naar onderzoeksbeleid leidden in de regel hoogstens tot verwijzingen naar bepalingen over contractresearch. Mijn pogingen tot uitleg van de dagelijkse werkelijkheid in het reëel bestaande universitaire gidsland Nederland resulteerden in een grondeloze verbazing die slechts te overtreffen is met een beschrijving van de toelatingsloterij. Mijn collega's doen qua onderzoek gewoon waar ze zin in hebben, en vinden het al heel wat dat ze ieder jaar een lijstje moeten inleveren van gegeven onderwijs en verschenen publicaties – op Harvard ongehoorde nieuwlichterij!

Is het een ramp dat de Nederlandse onderzoeksschool een onecht kind is van de Graduate School? Wie maalt er sinds de jaren zeventig nog om echt of onecht? De Nederlandse onderzoeksschool is een Nederlands antwoord op een Nederlandse situatie. Voor de aio's en oio's lijken de onderzoeksscholen mij een zegen: zij hebben nu toegang tot de expertise van alle Nederlandse deskundigen op hun onderzoeksterrein en aanpalende gebieden, en van een groot aantal buitenlandse deskundigen op de koop toe. Vergelijk dat eens met de situatie van nog maar een jaar of tien geleden toen sommige hoogleraren het klonen van hun eigen wijsheid tot in de perfectie hadden ontwikkeld. Dat soort academische inteelt is nu, mag je hopen, vrijwel onmogelijk geworden.

Op het terrein van het onderzoek heeft de competitie tot het vormen van onderzoekscholen en het werven van fondsen tot allerlei vormen van samenwerking geleid, in sommige gevallen niet alleen tussen medewerkers van verschillende universiteiten maar, bijvoorbeeld in het geval van kunstgeschiedenis, ook tussen universiteiten en andere instellingen die werkzaam zijn op het vakgebied. Een gedeelte van die samenwerking is waarschijnlijk eerder het gevolg van de beschikbaarheid van fondsen geweest dan van een onweerstaanbare drang van binnen, maar wie weet wat er straks wel niet gebeurt nu de onderzoekers ook op dit gebied door begeerte zijn aangeraakt.

Alleen op het gebied van het clusteren blijft het nog modderen in de letteren. Gelukkig blijven de meeste onderzoekers gewoon doen wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn. Wat dat betreft kan het niet beter. Voor de academische boekhouders blijft het puzzelen want bijna iedereen wil het ene jaar met de ene collega en het andere jaar met een andere collega samenwerken. Schrijf dat nu maar eens zo op dat dat de daartoe ingestelde erkenningscommissies bevredigt.

Het Hollandse bleekneusje zal heus wel opgroeien tot een stevige jongen, maar laat hem vooral nog flink wat ravotten. Bovendien is hij inmiddels op de leeftijd gekomen dat hij echt zijn eigen zakgeld moet hebben. De Nederlandse universiteiten zouden het moeten aandurven hun eigen onderzoeksscholen met een forse beurs de grote wereld in te sturen.