Geen kind verliest graag een duim

De 20ste Duijkerlezing stond deze week in het teken van de omstreden erfenis van Freud. Psycholoog Jaap van Heerden, een van de sprekers, toonde zich kritisch. `Als er iets in de psychoanalyse is dat opheldering vereist, is dat verdringing.'

Iedereen schrikt bij een verspreking of publieke nalatigheid. Direct beseft hij dat hem een duiding te wachten staat die zelden of nooit in zijn voordeel is. Ook behoort het tot ons cultureel erfgoed om het gedrag van een ander te beoordelen naar motieven die voor deze persoon zelf verborgen zijn. Want veel sterker dan de psychologie is de psychoanalyse doorgedrongen tot het dagelijks leven.

Maar het succes van de psychoanalyse als therapie komt doorgaans niet uit boven het resultaat van een placebo of spontaan herstel, net als veel andere therapieën trouwens. En wat dan nog? De rechtvaardiging van een theorie door zijn effect is hachelijk, want soms wordt een zeer redelijk resultaat behaald door een kuur die op een volstrekt onzinnige theorie berust, zoals de reïncarnatietherapie die in kortere tijd meer bereikt dan enige andere therapie.

Interessanter dan de vraag naar de waarde van psychoanalyse als therapie is dan ook de vraag wat Sigmund Freud ons heeft gebracht: wat is de waarde van zijn erfgoed?

Een gepaste introductie tot het psychoanalytisch erfgoed is de droomduiding, het boek dat Freud een internationale reputatie bezorgde, Die Traumdeutung, verscheen een eeuw geleden. Kerngedachte is dat in een droom onbewuste verlangens of primitieve wensen worden uitgebeeld en gerealiseerd, als wensvervulling. In de droom wordt op symbolische wijze een gedachte tot uitdrukking gebracht die in zijn letterlijke variant onverteerbaar is. Zeker in Freuds dagen domineerden erotische wensen en dus vertegenwoordigen symbolen al snel het mannelijke of vrouwelijke geslachtsorgaan. Torenspitsen, potloden, bomen, linealen en heren met hoed verwijzen naar het mannelijke. Schepen, opengeslagen boeken, kamers en boodschappentassen naar het vrouwelijke orgaan. Freud geeft lijstjes.

Maar er bestaat geen object dat niet het symbool van iets anders kan zijn. En als men een tweedeling volgt, is elk object vroeg of laat categoriseerbaar als mannelijk of vrouwelijk. En aan dit proces van symbolisering kleven meer bezwaren. Ik noem er paar. Als een droom een wens of gedachte symboliseert, ziet men de droom als een rebus vervat in een eigen droomtaal. Als er een droomtaal bestaat, moet er net als in elke andere taal sprake kunnen zijn van onwelgevormdheid. De dromer vergist zich, maakt fouten, drukt zich onbeholpen uit, zegt of verbeeldt dingen die er niet toe doen. Maar over de mogelijke onwelgevormdheid van de droom hoort men in de psychoanalyse nooit.

De nadruk op symbolisering schept ook een probleem van letterlijkheid. Wanneer is iets niet symbolisch? Luther droomde over het uitvallen van een kies. Dat moet volgens de psychoanalyse geïnterpreteerd worden als angst voor potentieverlies. Maar waarom is de zorg over het uitvallen van een kies op zichzelf niet goed genoeg als thema voor een droom. Dit probleem treft men in veel psychoanalytische beschouwingen aan, zeker in de psychoanalytisch georiënteerde letterkunde. Freud prijst Hoffmann omdat deze in zijn Struwwselpeter het dreigement formuleert dat doorgaan met duimzuigen het afhakken van die duim onvermijdelijk maakt. Dan houdt het duimzuigen op. Het knappe van Hoffmann zit hierin dat hij een subtiele toespeling maakt op de castratie-angst die duimzuigende jongetjes teistert. Maar waarom is het gruwelijk dreigement op zichzelf niet genoeg? Geen kind verliest graag een duim.

Een ander probleem is dat toenemende kennis van de psychoanalytische symbolisering de kracht van die symbolisering teniet doet. De symbolisering is gemeengoed geworden, de code is gekraakt. Als iedereen weet waar een torenspits naar verwijst of waar het open- en dichtknippen van een beursje voor staat, heeft het weinig zin die torenspits of dat beursje nog op te nemen in een droom om een gedachte tot uitdrukking te brengen die in zijn letterlijke variant onverteerbaar is. Wij moeten dus steeds geraffineerder gaan dromen om onverbloemd inzicht voor te blijven. Of de psychoanalytische duiding kan zich maar beter opheffen bij afwezigheid van afdoende maskering.

En dan de wijze van onthulling van de latente droominhoud: via vrije associatie van de dromer en voorzichtige suggesties van de psychoanalyticus. Het is een fascinerende kwestie welke heuristische waarde men hieraan kan toekennen. Neem de freudiaanse vergissing. Voorzover Freud versprekingen, vergissingen en andere gemoedelijke parapraxes behandelt, hebben ze àlle een verborgen zin. Er worden geen vergissingen behandeld die geen betekenis hebben, terwijl die toch moeten bestaan, zou je zeggen. Beroemd is het voorbeeld dat Freud geeft van een jongeman die tot zijn eigen ontzetting plotseling een versregel van Vergilius (Exoriare aliquis nostris ex ossibus ultor: `sta als wreker op uit onze as, wie je ook zijn mag') niet meer volmaakt kan reproduceren. Hem wil het woord aliquis niet meer te binnen schieten. Vrije associatie leidt tot onthulling van de onderdrukte zorg dat hij mogelijk een vrouw ongewenst zwanger gemaakt zou kunnen hebben. Die zorg leidde tot de geconstateerde omissie.

Maar wat wordt hier bewezen? Gegeven het feit dat iemand door een bepaalde gedachte gepreoccupeerd wordt, leidt vrije associatie bij elk woord uit de dichtregel vroeg of laat tot die preoccupatie. Het vergeten van aliquis zegt niet zoveel. Voor onthulling van je zorgen heb je geen verspreking nodig. Vrije associatie kan bij elk willekeurig woord beginnen en leidt hoe dan ook tot een gedachte.

Dat neemt echter niet weg dat de opgespoorde gedachte tot het moment van opsporing mogelijk niet werd beseft en dus onbewust was. Freud wordt dan ook beschouwd als ontdekker van het onbewuste. In strikt historische zin is dat overigens onjuist, want anderen hebben eerder op het bestaan ervan gewezen, zoals Descartes, Leibniz, Goethe, Eduard von Hartmann, Schopenhauer en Fechner. Van de laatste stamt het beeld dat de psyche beschouwd kan worden als een ijsberg waarvan het grootste gedeelte zich onder de waterspiegel bevindt. De unieke inbreng van Freud wordt echter voldoende gewaarborgd door zijn ideeën over hoe de relatie tussen het bewuste en onbewuste zich voltrekt, waarmee het onbewuste gevuld raakt en wat er uit kan worden teruggewonnen door een proces dat hij zelf metaforisch beschrijft als `inpoldering'. Niet het onbewuste, maar de uitleg hoe het werkzaam is, vormt de omstreden erfenis van Freud.

taalvermogen

Hoe verhoudt zich dit tot het onbewuste zoals dat in de hedendaagse psychologie wordt gehanteerd? Bij de benutting van onze cognitieve vermogens zoals het geheugen, waarneming en taal gaan wij ervan uit dat deze het beste beschreven kunnen worden als toepassing van regels en algorithmen. Neem het taalvermogen. De kennis die wij daarin tonen, kan neergelegd worden in een stelsel van regels die tezamen noodzakelijk en voldoende zijn voor het genereren van alle welgevormde zinnen en uitsluiting van onwelgevormde. Deze kennis kan geëxpliciteerd worden in een grammatica als een model van ons vermogen, maar die kennis is voor het grootste deel onbewust. Als freudiaan zou je zeggen: mooier kan het niet. Als dat geen eerherstel van het onbewuste is! Maar er zijn beslissende verschillen tussen de werkzaamheid van het psychoanalytisch onbewuste en de mobilisatie van onbewuste kennis. Die kennis is niet verdrongen en nauwelijks introspectief toegankelijk te maken. Zij bevat geen ondraaglijke en emotionaal beladen elementen. Inzicht in deze kennis heeft al evenmin enig therapeutisch effect. Men wordt door deze kennis niet bedreigd. Geen onderdeel wordt omgezet tot hinderlijk symptoom. Zij leidt niet tot afwijkend gedrag maar juist tot een normale alledaagse vaardigheid.

De afgelopen twintig jaar is ook veel experimenteel onderzoek verricht naar onopgemerkte invloeden bij het nemen van beslissingen en bij de opbouw van kennis. Bijvoorbeeld, mensen die (door de manipulatie van de onderzoeker) bij het rad van avontuur op een laag getal een taart winnen, schatten direct daarna het aantal ontwikkelingslanden veel lager dan mensen die op een hoog getal een taart winnen. Proefpersonen zelf zien het verband niet. En bij een luistertaak wordt men gedwongen een verhaal te volgen dat aan een oor wordt aangeboden. Aan het andere oor wordt een opsomming van plaatsnamen gepresenteerd waaronder enkele die in een eerdere fase van het onderzoek bedreigend waren geworden door koppeling aan een elektrische schok. Proefpersonen worden zozeer in beslag genomen door het volgen van het verhaal dat zij zich niets kunnen herinneren van de opgesomde plaatsnamen, maar bij de presentatie van de beladen namen toonden zij wel een verhoogde galvanische huidreactie, wat wijst op een hogere emotionele betrokkenheid.

Er zijn mensen die lijden aan prosopagnosia, het onvermogen gezichten te herkennen. Worden zij geconfronteerd met gezichten van bekenden dan zeggen zij deze niet te herkennen, maar tegelijk tonen zij bij deze een verhoogde galvanische huidreactie en bij onbekenden niet. De cognitie faalt maar de emotie is paraat. Men zou hier de hypothese aan kunnen koppelen, dat onder normale omstandigheden cognitie en emotie samengaan.

stimulusmateriaal

Vrijwel al deze onderzoekers verwijzen in de inleiding van hun experimenteel verslag even naar Freud. Zij beschouwen zich als beheerders van althans een deel van zijn erfenis. Of dat zo is is de vraag. Want de gevonden effecten zijn kortdurend en betreffen geen vitale beslissingen. Het stimulusmateriaal is kaal. Wat bijvoorbeeld subliminaal wordt aangeboden is een geometrisch figuurtje van grote eenvoud of een enkel woord, nooit een gecompliceerde redenering. En zoals gezegd is Freud niet de ontdekker van het onbewuste maar de man die het onbewuste heeft ingevuld. Nadruk moet daarbij liggen op verdringing.

De genoemde experimenten laten zich zelden in termen van verdringing interpreteren en zo dat al kan vind ik dat vaak aanvechtbaar. Meestal moet men volstaan met de constatering dat iets niet is opgemerkt. Maar verdringing betreft emotioneel zwaar beladen gebeurtenissen waar geen enkele herinnering aan bestaat, terwijl die gebeurtenissen wel voortwoeden in ons psychisch leven. Het is de psychologie tot nu toe niet gelukt daar een bewijs van te leveren.

Als er iets in de psychoanalyse is dat opheldering vereist, dan is dat dus verdringing. Die opheldering kan niet komen van therapeuten en psychoanalytici die de helpende hand bieden bij het terugvinden van het verdrongene. Als die therapeutische kennis bestaat moet zij inzet worden van experimenteel onderzoek. Dit is niet meer en niet minder dan het voorstel aan psychoanalytici en psychologen de erfenis van Freud te delen.

Dit is een bekorte versie van de Duijker-lezing die Jaap van Heerden afgelopen donderdag uitsprak in de aula van de Universiteit van Amsterdam. De andere twee sprekers waren H.C. Halberstadt-Freud en Martin van Amerongen.