Dotcom, puntennel

Achter me in het vliegtuig hoorde ik op gedempte toon twee verscheurende dieren praten. Het ging over Nina Brink en haar onderneming World Online, waarin ze wat geld hadden geïnvesteerd, in de hoop het dubbele terug te krijgen. Het was anders gegaan, de schuld van de wondervrouw die ze een maand tevoren hadden toegejuicht en die ze nu te pakken wilden krijgen. De namen van een paar daartoe afgerichte bloedhonden vielen. Toen merkten ze dat er iemand meeluisterde. Ze veranderden van onderwerp. Afluisteren is ook niet ieders werk. De amateur maakt zich verdacht door zich nadrukkelijk stil te houden. Zo verraadt hij zich, zelfs in een vliegtuig.

Inmiddels is de Nasdaq in elkaar gezakt: 25,3 procent van de top die een paar weken geleden werd bereikt, allemaal door de overgewaardeerde technologiefondsen. Al heb je er, zoals ik, hoegenaamd geen verstand van, je weet dat het gaat gebeuren. Dat komt door wat we sinds een jaar of tien noemen, de hype. In de woordenboeken wordt hype ongeveer omschreven als het opzettelijk overmatig kabaal maken om iets nieuws te lanceren, niet zomaar iets nieuws, maar iets waarvan dan verteld wordt dat de wereld nog nooit zoiets heeft gezien.

Ik ben het er half mee eens. Het maken van hype is een georganiseerde poging tot het buiten werking stellen van de kritische vermogens, om ten behoeve van het gehypte product bij zoveel mogelijk mensen het beeld van de werkelijke verhoudingen te verstoren. Iets hypen is het scheppen van een massale zinsbegoocheling. Hypen is hersenspoelen op de vrije markt. Het verschil met het oude hersenspoelen is, dat het allemaal vrijwillig gaat; de overeenkomst is dat de gehypten, als ze ontdekt hebben wat er is gebeurd, uit hun droom vallen, hard op de aarde. Hoe hard ook, het is hun eigen schuld. Ze wilden dromen.

Was daar niets tegen te doen? Ik heb een theorie. Om een hype te doen slagen, is het nodig zoveel mogelijk media medeplichtig te maken. Maximale hype is maximale communicatie. En nu is deze on line-hype – niet alleen die van de WOL – juist op touw gezet om het geloof in de toekomst van de wereldcommunicatie te bevorderen. Het publiek wordt bestookt, als het ware, met de bewijzen van zijn eigen droom. Het wordt beschreeuwd met de middelen waarin het zelf investeert. Geen wonder dat het deze vicieuze cirkel voor het perpetuum mobile van de eeuwig stijgende koersen aanziet. Klopt die theorie, zit er iets in, of niet? In ieder geval, aan de Brink- en Nasdaq-razernij was niets meer te doen.

Die avond liepen we met ons drieën, de schrijfster en kunstkenster, haar man de grootmeester, en ik naar een ouderwets restaurant waar twee generaties boenwas in de tafels is gewreven en zachte muziek van Glenn Miller uit één luidspreker komt. Onderweg kwamen we langs een reclamebord waarop stond dat we zo vlug mogelijk Windows 2000 moesten aanschaffen. De grootmeester, die ik tot dat ogenblik alleen gekend had als een kalme man, op de grens van flegmatiek, begon zich op zijn manier op te winden. Nog gekker, nog meer icoontjes van het aap-noot-mies op je scherm, nog meer bochten waar je je op commando van Bill Gates in moet wringen voor je je eerste woord kunt schrijven, laat staan opbergen. Zijn vrouw viel hem bij, en ik ook.

Niet dat we vijanden van de modernste elektronica zijn of waren. Schrijven op een computer, een zegen. E-mail, idem. Internet ook, al inspireert het tot infantiele lay-out en het aanbieden van dingen en diensten die je tot je laatste snik niet wilt hebben. Nee, het gaat om de tot kitsch-barok opgevoerde overperfectionering. Toen Windows 95, of 98 – ik ben de tel kwijt – op de markt kwam, heb ik ze 's avonds laat in de rij zien staan om er de volgende ochtend als eerste bij te zijn. Nee, dan Word Perfect 5.1. Mooi systeem, maar als je het nog gebruikt, vertel het niet verder. Aan bruikbaarheid is een grens. Daarboven wordt het overbruikbaarheid en die is een last. We waren blij dat Bill Gates zijn rechtszaak had verloren.

Ouderwets gemopper. In Amerika klinkt aan het eind van iedere commercial het Dotcom! als een kreet van triomf uit de luidsprekers, zoals in Nederland het Puntenel! We hebben er allemaal een achternaam bijgekregen. Arjen Jeroen Pieterse Puntenel.

Thuisgekomen keek ik nog even naar de televisie: hoe het met Elián Gonzales ging. Er was een korte, grondige reportage. Eerst Havana. Langs de stoep iemand die aan zijn Buick model 1955 sleutelde. Het vergt een genie om zo'n ding rijdend te houden. Intussen kwamen er een stuk of wat koetsjes getrokken door paarden voorbij. Toen verscheen Elián, in Miami. Het regende. Hij had zijn regenjas met capuchon aan, hij deed voorzichtig een stapje in de richting van de camera. In beide handen had hij een revolvertje.

Denk niet dat ik tegenstander van klappertjespistolen ben. Toen ik zo oud was als hij, was ik ook zwaar gewapend. Nu waren het `de omstandigheden'. De New York Post (nota bene) van woensdag heeft een politieke tekening. Daar staat het arme kereltje, hermetisch ingesloten door het personeel van de media, iedereen gewapend met een microfoon. Tekst: `Zal je straks je vrijheid missen, als je weer in Cuba bent, Elian?' (Op het net: http://www.nypost.com/

Overpeinzingen 1036