De man achter de ooievaar

Het hotel in Portugal was in het gidsje met van alles en nog wat aangeprezen, maar niet met wat voor ons het allermooiste was: rondom bewoonde ooievaarsnesten op afgedankte telefoonpalen en hoekige kerktorens.

Het was daar een paar weken geleden kennelijk beginnend broedseizoen, zodat er veel leven in de brouwerij was en ook veel schoonheid. We kwamen de korte tijd dat we er waren nauwelijks van ons balkon af. Het wonder was te groot om te willen missen. De zwarte silhouetten in de vroege ochtendmist en het drijven op de thermiek boven het dal later op de dag zijn beelden die niet uit het geheugen weg willen.

De palen stonden het dichtste bij. Het waren er twaalf. Op zeven ervan zaten grote nesten met paren, twee waren kaal en onbewoond, op drie bevonden zich alleenstaande ooievaars in wat nauwelijks een nest kon worden genoemd, louter wat loshangend tak- en sprietwerk.

Als je, zoals ik, weinig van het feitelijke diergedrag en de betekenis daarvan afweet, schiet onmiddellijk de antropomorfe interpretatie toe. Waarom hadden die drie geen soortgenoot kunnen vinden? Waren ze te sloom geweest of juist te agressief? Of waren het eigenlijk heel leuke, vrolijke ooievaars, en om onverklaarbare redenen toch alleen gebleven? Hoe groot is onder mensen vaak niet de verbazing dat de aardigste man of vrouw maar geen levensgezel kan vinden, en allerlei onaangename types met het grootste gemak wel.

Ik merkte dat ik er zonder meer van uitging dat het om drie alleenstaande mannetjes ging. Is dat mijn traditionele inslag: de man hoort voor een bewoonbaar huis te zorgen, dat de vrouw vervolgens kan verzorgen? Ik loop daarin achter, ik weet het. Maar ik heb nog steeds geen steekhoudende verklaring gelezen voor het in onderzoek op de Huishoudbeurs 2000 gevonden feit dat vrouwen in toenemende mate een hekel hebben aan huishoudelijk werk. Wat is daar toch mis aan? Te meer onbegrijpelijk daar vooraan in het verdomhoekje strijken blijkt te staan. Toch geen vuil en zwaar werk met het moderne ijzer en het effect mag er zijn. Waarin is het lekkerder slapen dan tussen schone, glad gestreken lakens? Ook zie ik mannen graag in hemden zonder kreukels en wil daar met liefde het mijne toe bijdragen.

Goed, drie mannetjes dus. Waarom zaten ze eigenlijk op zo'n nest van niks? En wat was daarbij oorzaak en wat gevolg? Hadden zij geen vrouwtje kunnen vinden omdat zij niet voor fatsoenlijke bewoning hadden gezorgd? Of waren zij niet aan een nest begonnen, omdat zij toch geen vrouwtje hadden. De maar al te herkenbare vicieuze cirkel. Frits is gedeprimeerd, omdat hij zich zo eenzaam voelt en zijn sombere uitstraling maakt vervolgens dat hij geen aantrekkelijk gezelschap is. Maar hier doet zich misschien toch een verschil voor tussen mens en ooievaar. Met wat deskundige hulp is het voor Frits in principe mogelijk de cirkel te doorbreken, te begrijpen waarin zijn somberheid is geworteld en door een hoopvoller en positiever toekomstbeeld alsnog iemand te vinden.

Waarschijnlijk kan een ooievaar dat niet doordat het instinctieve gedragsrepertoir te vast ligt. Als dat zo is geprogrammeerd dat het nest pas wordt gebouwd vóór en eventueel mét een vrouwtje, is het onmogelijk daarop te variëren vanuit het optimisme: laat ik alvast een nest maken, misschien komt er dan wel één op af.

Dat bracht me op de veronderstelling dat dieren waarschijnlijk ook niet kunnen improviseren, wat toch een heerlijke menselijke mogelijkheid is. Kijken of iets anders kan dan gewoonlijk. Afwijken van wat normaal wordt geacht.

Van de hardnekkigheid van instinctief gestuurde gedragspatronen zagen we een mooi voorbeeld. Tenminste, zo interpreteerde ik het maar. Eén van de alleenstaande mannetjes stond op de paal naast dat van een paar. Zo ongeveer iedere vijf minuten deed hij daar een aanval op. Hij ging er pal boven hangen en probeerde de daar wonende manlijke ooievaar met zijn vleugels weg te slaan. Dat lukte niet, want deze had een feilloos verdedigingswapen: hij stak zijn snavel als een speerpunt omhoog. Toen we later onder de palen liepen, zagen we dat de aanvaller dan ook lelijke, bloedende buikwonden had. Maar dat had hem er eerder op de dag niet van weerhouden steeds weer in de aanval te gaan. Maar wat nu was het vreemde? Dat, waar de antropomorfische vergelijking stokte? Op een gegeven moment ging het mannetje van het nest, naar het zich liet aanzien om uit de rivier iets eetbaars te vissen voor het vrouwtje. De kans voor de alleenstaande ooievaar lag hier voor het grijpen, het vrouwtje van zijn keus zat daar heel alleen. En hij deed niks! Pas nadat het mannetje was teruggekomen hernam hij zijn aanvallen. Kom daar eens om in de mensenwereld. Buurman vaak van huis? Eigen schuld als buurvrouw naast de deur heil en troost vindt. Hoewel mijn man die ooievaar wel begreep: ,,Zo is het te makkelijk'', zei hij.