De koning geen tekenmachine

In de constitutioneele monarchie is de Kroon eene zelfstandige macht, aldus Thorbecke in zijn Narede van 1869 die als zijn politieke testament geldt. In de door Thom de Graaf aangezwengelde discussie over de bevoegdheden van de koning wordt te pas en te onpas een beroep op Thorbecke's geesteskind, de grondwet van 1848, gedaan.

Zo beweerde het oud-lid van de Provinciale Staten in Zuid-Holland C. de Hart in deze krant van 11 april dat Thorbecke de koning `grondwettelijk aan de zijlijn' had gezet. De suggestie wordt gewekt alsof er een onconstitutioneel luchtje zit aan de invloed die de koningin achter de schermen kan uitoefenen. In zijn jongste boek De macht van de kroon bevestigen de door Harry van Wijnen gegeven voorbeelden van directe en indirecte bemoeienis van de koningin met de uitvoerende macht, eerder Thorbecke's conceptie van de relatief zelfstandige rol van het staatshoofd in een constitutionele monarchie. De omschrijving van de rol van de vorst in de constitutie van 1848 was niet voor niets vaag gelaten. Thorbecke wilde de vorst de wet niet voorschrijven. De ministers waren vanaf 1848 weliswaar volledig politiek verantwoordelijk tegenover de Staten-Generaal, maar dat hield geen volledige afhankelijkheid van ministers van de Kamer in. De koning had nog steeds tot taak de ministers te benoemen en te ontslaan, en moest daarbij naar eigen inzicht handelen. Een verstandig vorst bracht het ministerie in overeenstemming met het landsbelang. De zelfstandige rol van Beatrix in de formatie is dan ook volledig Thorbeckiaans.

Van Wijnen en De Hart gaan te kort door de bocht als zij – in navolging van velen – schrijven, dat de ministers vanaf 1848 wat Thorbecke betreft niet meer afhankelijk waren van het vertrouwen van de koning, maar alleen van de Kamers. Een dergelijk primaat bij de Kamers is van later datum en was Thorbecke vreemd. Het maakte in zijn ogen van ministers onderdanen – nu niet van de koning, maar van de Kamer. Nieuwe verkiezingen moesten dienen om `een grooten maatregel aan eene nieuwe proef te onderwerpen', maar mochten niet als dwangmiddel gebruikt worden `om een veroordeeld Ministerie, tot persoonlijk behoud, een volgzame meerderheid te verschaffen'. Hij vond dat zelfs de ergste verkrachting van de constitutionele vrijheid.

Een reductie van het koningsschap tot het verrichten van louter formele handelingen maakte de koning `een machine ter teekening' en dat was in Thorbecke's ogen mensonwaardig. Het staatshoofd mocht zelfs niet gevraagd worden tegen zijn overtuiging in te handelen. Thorbecke's idee veronderstelde een wijs koning, die de regering steeds in overeenstemming `met den geheelen toestand waarin de staat zich bevindt' zou brengen. Een minder wijs vorst kon de verantwoordelijke minister in grote moeilijkheden brengen zoals hij aan den lijve onder Willem III mocht ondervinden.

Een koning die niet binnen de wet wilde opereren, hield in Thorbecke's ogen op koning te zijn. Zo ver kwam het niet. In de constitutionele praktijk kwam in 1868 het primaat bij het parlement te liggen en verdween de `Koning van hoofd en karakter' ogenschijnlijk steeds meer uit beeld. De voorbeelden die Van Wijnen beschrijft, tonen echter aan dat achter het scherm van de ministeriële verantwoordelijkheid het Thorbeckiaanse koningschap in sommige opzichten nog bestaat. Het is de vraag of hier uit democratisch oogpunt iets op tegen is. De ministers kunnen zich immers niet op de koning beroepen en de Kamer hoeft zich van impliciete of gesuggereerde beïnvloeding niets aan te trekken. De voorbeelden van bemoeienis van de koningin met de regering zijn bovendien niet schokkend, eerder aandoenlijk.

De koningin is oprecht en daadwerkelijk bij het wel en wee van de Nederlandse staat betrokken en heeft soms – heel menselijk – haar eigen voorkeuren.

Nederland mag zich al decennia lang gelukkig prijzen met een bijzonder menselijke monarchie. Daar is constitutioneel niets op tegen. Een verdere formalisering van de monarchie maakt de koning inderdaad tot tekenmachine en verhoogt het poppenkastgehalte. Wie de facto af wil van de `royal factor' in de staat, doet er uit menselijk oogpunt beter aan voor een republiek te pleiten, al zal ook in een presidentieel systeem blijken dat het gekozen staatshoofd dat zijn rol ernstig neemt, zoveel invloed zal uitoefenen als hem daartoe door de verantwoordelijke ministers ruimte wordt gelaten.

Jan Drentje is historicus.