Bevoegd en bekwaam

Universiteiten zijn vrij te bepalen wie geschikt is om er onderwijs te geven. Zonder enig diploma kun je professor worden. Uitgangspunt van die universitaire vrijheid is natuurlijk dat ze daar nooit iemand college zullen laten geven die daar niet bekwaam toe wordt geacht. Zo herinner ik me een interview met een self made hoogleraar die na de HBS nog maar één examen had gedaan: dat voor zijn rijbewijs. Zo zijn er nog wel meer die hun opleiding in de praktijk hebben gevolgd. Ook instellingen voor hoger beroepsonderwijs worden niet belemmerd door regels omtrent bevoegdheid; ook zij mogen zelf bepalen of een docent bekwaam is.

Een vergelijkbare vrijheid kennen de instellingen voor tertiair onderwijs waar het de diplomering betreft. De maatschappij heeft hun de taak toevertrouwd mensen op te leiden en bij het succesvol afronden van een opleiding een diploma te verstrekken waarmee afgestudeerden aanspraak kunnen maken op verantwoordelijke functies in onze samenleving.

De ethiek om met die vrijheid op een verantwoorde wijze om te gaan wordt redelijk nageleefd zo lang die niet strijdig is met het eigen belang van betrokkenen. Maar zodra mensen het voortbestaan van hun instelling of hun baan afhankelijk weten van aantallen studenten of aantal gediplomeerden dat ze afleveren, raakt de ethiek snel op de achtergrond. Toen de belangstelling voor de lerarenopleiding basisonderwijs enkele jaren geleden een dieptepunt bereikte, hebben sommige opleidingen hun eisen zodanig verlaagd dat ze leraren afleverden die niet eens in staat waren om een eenvoudig dictee te maken. Hun voortbestaan werd belangrijker geacht dan hun maatschappelijke taak: competente leraren opleiden.

Triest is dat de overheid het slechte voorbeeld heeft gegeven met een vergelijkbaar pragmatisme. Toen in de jaren tachtig veel scholen moesten fuseren en de leraren die het laatst waren binnengekomen naar huis werden gestuurd, was het resterende lerarenbestand lang niet altijd in overeenstemming met de lessen die moesten worden gegeven. Om de zaak kloppend te maken werden de zogenoemde slapende bevoegdheden tot leven gewekt. Leraren die ooit dertig jaar geleden een akte wiskunde hadden behaald, maar een leven lang Frans hadden gegeven, moesten aan de wiskunde. Bevoegd, maar niet bekwaam. Ook bij de samenvoeging van kleuter- en lagere school en bij de introductie van nieuwe vakken zoals indertijd maatschappijleer, nam de overheid het niet zo nauw met bevoegdheden. Het ging er vooral om dat het geen cent mocht kosten. Gezien in het licht van deze onverschilligheid voor kwaliteit wekt het volgende mijn verwondering.

In het middelbaar beroepsonderwijs worden leerlingen opgeleid tot onderwijsassistent. Een deel van die assistenten wil graag leraar basisonderwijs worden. Nu mogen die opleidingen, de PABO's dus, die jongens en meisjes niet toelaten omdat hun opleidingsniveau te laag is. Inmiddels is het zo ver dat de kwaliteit van het HBO kritisch wordt gevolgd. Waarom dan die opleidingen niet zelf laten bepalen wie ze geschikt vinden om te worden toegelaten. Het gaat er toch niet om hoe studenten die opleidingen binnenkomen, het gaat erom hoe ze die verlaten. Het eerste kun je aan die opleidingen zelf overlaten. Het laatste niet, zo hebben de ervaringen geleerd. Daar moet dan ook de controle zijn.

Ooit stond het streven naar deregulering in het centrum van de politieke aandacht. De bedoeling daarvan was onnodige regelgeving af te schaffen.