Beatrix zelf debet aan opstand der elite

De bestorming van paleis Noordeinde is op Nederlandse en dus decente wijze begonnen. De aanleiding is staatsrechtelijk. De oorzaak zit dieper, meent Hubert Smeets. De elite wil de machtsverhoudingen opnieuw codificeren. En dat kan omdat de vorstin haar netwerk heeft verwaarloosd.

Vrijdagmiddag 19 december 1997 om drie uur kwamen de barricadebouwers bijeen in Bodega Keyzer aan de Van Baerlestraat in Amsterdam. Aan het hoofd van de tafel in de nis zat Albert Voster, toen nog directeur van De Bezige Bij. Aan de lange kant rechts van de gastheer zaten Arend Dunning (cardioloog en emeritus hoogleraar), Tom Rooduijn (journalist, hier in hoedanigheid van notulist) en Ite Rümke (toen nog redacteur NRC Handelsblad). Links zetelden Pierre Vinken (oud-topman van Elsevier), Hans van den Bergh (Neerlandicus aan de Open Universiteit) en Joris Abeling (freelance journalist, korte tijd later omgekomen bij een auto-ongeluk). Met zijn rug naar de deur zat Martin van Amerongen, (ex)hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. Vinken en Van Amerongen dronken witte wijn. De andere heren en dame hielden het bij thee, pellegrino of bitter lemon. Ze spraken over de monarchie. Om vijf uur was het beraad voorbij. Het gezelschap leek niet over veel revolutionaire ervaring te beschikken, wekte allerminst de indruk de straatstenen uit het vet te willen halen. Het Republikeins Genootschap dacht het tij te kunnen keren met een boek of, nog bescheidener, met een `reader'.

Boek noch boekje verscheen. Toch was 19 december 1997 een belangrijke dag. In Keyzer openbaarde zich dat oude én nieuwe elite ontevreden waren over haar positie. Aan de Van Baerlestraat werden de eerste tactische zetjes gedaan. Zonder dat het genootschap een kik heeft gegeven, kristalliseert zich dat nu uit. In niets meer of minder dan een bestorming van Paleis Noordeinde. Op zijn Nederlands uiteraard. Niemand merkt er dus daadwerkelijk iets van. Maar een stormloop is het. Zelfs De Telegraaf, die prima raad weet met de Oranjes in het algemeen, is enigszins defensief als koningin Beatrix in het geding is.

De aanval op de monarchie oogt formeel, met een snufje politiek als het om de `gaten' in ons staatsrecht gaat. Hij heeft bovendien traditionele wortels. De burgerlijke elite in Nederland is immers gemankeerd republikeins. Omdat het volk orangistisch was, heeft ze er nooit een punt van gemaakt. Dat was een kwestie van tellen. De basis was in de meerderheid, de top een kleinere groep. Als het er echt op aan zou komen, waren de krachtsverhoudingen op het Malieveld een gegeven. Hooguit doemde op gezette tijden een schandaal op. Bijvoorbeeld toen koningin Juliana zich liet begeleiden door een sterrenwichelaar (Greet Hofmans), haar man moeite had de grens tussen emotie en ratio af te palen (Lockheed-affaire), de kroonprinses wilde trouwen met een Duitser (`Claus d'raus') of ingehuldigd moest worden in het `autonome' Amsterdam (geen woning-geen kroning). Nooit maakte het establishment echter misbruik van deze oprispingen. Altijd koos het, wijs geworden door de `vergissing' van Troelstra, eieren voor zijn geld. Ingefluisterd door ervaren regenten (eerst uit Nederlands Hervormde, later eveneens uit katholieke huize), kweten steeds de net geëmancipeerde leden van de elite zich van die taak. Geen beter voorbeeld dan de wijze waarop premier Den Uyl in 1976 de lont in het Lockheed-kruitvat onschadelijk maakte.

Op het eerste gezicht is de afgelopen twintig jaar weinig veranderd in deze klassieke verhouding tussen elite en volk. Koningin Beatrix boog haar nadeel (huwelijk, inhuldiging) zelfs om in een voordeel. Nederland was in de jaren tachtig namelijk in verwarring, had behoefte aan een koningin met kennis van zaken en dus meer was dan een soort super-oma. In paleis Noordeinde zetelde het secretariaat van de BV Nederland, zoals mij zeven jaar geleden werd uitgelegd door een moderne intellectueel die dat toen overigens niet durfde op te schrijven. Management en monarchie leken verzoenbaar.

Waarom begint dit verbond dan toch te wringen? Omdat deze coalitie geen basis meer heeft in de huidige maatschappelijke verhoudingen. De ogenschijnlijke rust aan het constitutionele front is op drijfzand gaan rusten. De staatsrechtelijke taal, waarin het debat over herschikking van de koninklijke taken nu wordt gegoten, poogt deze realiteit weliswaar te versluieren maar is daartoe steeds minder in staat. Dat verklaart de felheid van de toon in het debat. De aanleiding mag dan de verveling zijn die ons in haar greep heeft, het gaat om iets anders.

Nederland heeft de afgelopen decennia een sociaal-economische omwenteling doorgemaakt met historische allure. Nederland was al langer geen agrarische natie en is nu ook geen industriestaat meer. Het geld wordt tegenwoordig grotendeels verdiend in een hooggekwalificeerde dienstensector.

Zoals bekend hebben wijzigingen in de productiekrachten invloed op de productieverhoudingen. De regering-Beatrix spoorde aanvankelijk met die verschuivingen. Dankzij de milde liquidatie van boeren en arbeiders was Nederland een land van burgers geworden. En burgers eisen zakelijkheid, geen zakdoeken om hun tranen mee te plengen. Dat is vermoedelijk de reden waarom koningin Beatrix, anders dan haar moeder, bijna nooit spontaan in de Kinkerbuurt (Borgerstraat driehoog) op bezoek gaat om een machteloze Marokkaanse moeder een hart onder de riem te steken of haar zoon op straat bestraffend toe te spreken. We kennen de motieven niet. We weten alleen dat de vorstin haar zestigste verjaardag in 1998 niet met het volk wenste te vieren maar in eigen kring. Twee uurtjes gedwongen-ongedwongen op straat was al te veel. Een dienst met ds. Nico ter Linden in de Westerkerk was letterlijk de fysieke grens. Dat was tekenend. De amorfe massa was kennelijk geen factor van betekenis meer, collectieve identificatie was passé.

Die houding is op zichzelf verdedigbaar. De burgers zijn klanten geworden, met alle consequenties vandien. Het eerste gevolg is dat Nederland een netwerkmaatschappij is geworden. Hiërarchie is tegenwoordig ondergeschikt aan communicatie. Het tweede gevolg is dat Nederland een a-politieke samenleving is geworden. Het openbaar bestuur heeft het onderspit gedolven tegen de bureaucratie. Het finale gevolg is dat ook de staat wordt afgeschaft. De overheid regisseert straks alleen nog de belastingdienst, het geweldsmonopolie plus wat andere basale arrangementen en stapt hooguit her in der in de markt om scheefgroei een beetje te compenseren. Zo koopt ze de dalende burgers af (WAO, huursubsidie enzovoort) of houdt die in toom (politie), voordat ze voor de stijgende burgers gevaarlijk kunnen worden.

In zijn essay Sturing en publiek domein voor de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, schetst Paul Frissen deze trend zonder omwegen. Frissen is hoogleraar in Tilburg en de meest uitgesproken vertolker van de hedendaagse bestuurskundige morfologie. Zo is de politieke partij, in de 20ste eeuw integrator bij uitstek, volgens hem een ,,belemmering'' voor de maatschappij geworden. Het gaat nu ,,om een beweging, om een mentaliteit, om een vorm, om een stijl''. ,,Af en toe een verrassende bijdrage weten te leveren is al heel wat.'' Of, in woorden die geen recht doen aan Frissens naadloze analyse: we ouwehoeren wat in de rondte en daarmee basta.

Dat spoort inderdaad met de verhoudingen in het 21ste-eeuwse Nederland. Anders dan Karl Marx anderhalve eeuw geleden postuleerde, bepaalt de materiële basis niet meer het gezicht van de geestelijke bovenbouw. Ook niet meer ,,in laatste instantie'', zoals zijn vriend Friedrich Engels het nuanceerde. Integendeel, het is omgekeerd. In een vrijzinnige interpretatie van de Italiaanse communist Antonio Gramsci: de bovenbouw is zo krachtig geworden dat ze de basis kan domineren. Er zijn talloze indicaties voor deze theorie. Zoals de discussie over de afschaffing van de ongebreidelde aftrek van hypotheekrente, die zich aandient nu de burgerij al aardig op weg is met de aflossing. Of het verlangen om voor burgerlijke waarden een DNA-streng te vinden die je simpelweg in de goede richting kunt toucheren zodat iedereen die zich incorrect gedraagt, dat voortaan aan zichzelf heeft te wijten. Marx en Gramsci zouden met deze omkering vermoedelijk kunnen leven. Het bestuderen van productiekrachten en -verhoudingen is immers een kwestie van rekenen gebleven. Hoe beweegt het kapitaal en hoeveel is het, waar houdt de arbeid zich op en welke meerwaarde levert ze op, en wie schept de culturele omgeving waarin deze stromen gedijen: om die machtsvragen ging het en gaat het nog steeds.

In deze culturele context nu komt de monarchie om de hoek kijken. De maatschappij mag dan gedecollectiviseerd zijn, zonder kans op nostalgische identificatie wordt zelfs de modernste burger een `franc tireur'. Een rondje langs de voetbalvelden bewijst dat. Het is precies deze kwestie waarvoor koningin Beatrix de ogen sluit. Ze heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de kwantitatieve verschuivingen in de samenleving noch van de kwalitatieve veranderingen. Ze is er blind voor geweest dat er steeds minder onderdanen zijn en steeds meer klanten. Ze heeft verzuimd een land, waarin de dominante cultuur een mand vol cultuurtjes is geworden waaruit iedereen kan pakken wat van pas komt, één dak te geven dat niet lekt. Zo heeft ze de mythe van en over haarzelf ondergraven en moet vice-voorzitter Tjeenk Willink van de Raad van State haar te hulp schieten.

De koningin zit in het nauw. Niet omdat ze Elco Brinkman niet mocht, een ambassadeur liet vervangen, de journalistiek als leugenachtig typeerde, haar premiers tot zwijgen maande of in Lech met vakantie ging. Vergeleken met de stormen die het Huis van Oranje in de jaren vijftig tot zeventig teisterden, zijn dit briesjes die het KNMI niet eens kan meten. Ze zit in het gedrang omdat ze haar volk heeft verwaarloosd en daarom niet goed weet hoe haar volk is veranderd. Ze besteedt te veel aandacht aan fijne artistiek-intellectuele soirees en te weinig aan de primaire reden van haar functionele bestaan: haar rol als bruggenhoofd.

Kan ze de banden nog herstellen, bijvoorbeeld door op tournee te gaan in Slotervaart, Delfshaven, Schilderswijk, Kanaleneiland of andere etnische wijken waar nog een achterban is te werven? Het zou een interessante strategie zijn. Maar de risico's zijn groot. De bovenbouw is zich nadrukkelijk aan het hergroeperen om formeel af te maken wat zich afgelopen kwart eeuw met de omkering van minder- en meerderheid feitelijk al heeft voltrokken. Los van alle kippendrift, die rondom D66-voorman Thom de Graaf is losgebarsten, is dat de kern van de zaak. Wat in Keyzer theoretisch over tafel ging, manifesteert zich nu in de praktijk: de codificatie van een revolutie. Die is pas af wanneer Nederland ook naar de letter een gemeenschap is van consumenten met een Ombudsman als alibi.

Hubert Smeets is redacteur van NRC Handelsblad.