Afscheid van de blaarkoppen

Er is een zoon, er is een dochter, maar een opvolger is er niet. Veehouder Cees Molenaar melkt zijn twaalf blaarkoppen voor de laatste keer.

De bodem van de silo komt in zicht, de hooiberg raakt leeg.

`Zie jij nat bij mijn ogen?' `Nee, Cees.'

Cees nam zijn ontbijtbord uit de keukenkast en schoof in het schoolbankje dat ze aan het hoofd van de tafel hebben staan. Hij keek wat er op zijn boterhammen zat om te zien met welke hij zou beginnen. Toen liep Gré op hem af. Ze gaf hem een zoen. Ze zei: ,,Nou moet ik je toch feliciteren, dat je alles tot een goed einde hebt gebracht.''

Dat was het moment. De koeien stonden nog op stal, de melkrijder moest nog komen, maar op dát moment viel het doek. Weer was er een boer mee opgehouden, weer een bedrijf beëindigd. Op dat moment had iedereen even moeite met zijn tranen.

Al zolang ik bij deze mensen over de vloer kwam stond vast dat het zo zou aflopen. Er was een zoon, er was een dochter, maar een opvolger was er niet. Cees dreef de boerderij dan ook zoals het hem zinde, wars van de mode. De koeien nog in een grupstal, een tractor van Tsjechische makelij.

Toch viel het me rauw op het lijf, vorig jaar maart, Cees was net 61 geworden. Ik vroeg of er al kalfjes waren, maar die waren er nog niet. Ik zei dat ik er toch een genoteerd had zien staan voor de vijfde (altijd met krijt op de balk boven de koe) – maar dat was er nog niet. ,,Jammer'', zei ik, ,,het was vast een gelukskalfje geworden.'' Want de vijfde, dat was dan weer míjn verjaardag.

,,Dat zou hem weinig geholpen hebben'', zei Cees toen. ,,Ik had 'm toch niet aangehouden.'' Hij zou helemaal geen kalfjes meer aanhouden, hij deed ze allemaal weg. ,,Je moet ze twee jaar te eten geven'', zei hij, ,,je hebt er twee jaar werk aan, dan beginnen ze pas melk te geven. En dan hoeft het niet meer.''

Dan hoeft het niet meer. Het einde, opeens kon je het aanraken. Deze zomer nog, dan de winter nog en dan misschien nog een zomer. Het hing er vanaf.

,,Je hebt altijd gezegd dat je tot je vijfenzestigste zou doorgaan, Cees.''

,,Ik heb altijd gezegd dat ik het op mijn vijfenzestigste achter de rug wou hebben, Koos.''

Ik weet nog dat ik dacht: zo'n vaart zal het wel niet lopen. Bij Cees liep het nooit zo'n vaart. Een avondmens, liever laat naar bed dan vroeg op. Altijd als laatste op de Houtdijk nog aan het melken. Altijd de laatste in de polder die nog moest hooien – dit tot genoegen van de grutto, tureluur en leeuwerik (die zullen dus ook nog merken dat Cees gestopt is).

Half april praatten we verder. De regen sloeg onstuimig tegen het raam. Er zat al groei in het gras, maar het land was nog akelig nat. ,,Als het vandaag droog wordt'', zei Cees, ,,duurt het nog veertien dagen eer de koeien naar buiten kunnen.'' De mestvaalt lag intussen zo hoog dat hij de kruiwagen er nauwelijks meer tegenop kon krijgen. ,,Ik denk dat ik het maar in de bongerd ga gooien; dat mag niet, maar het moet.''

Over zulke dingen ging het, net als anders, en na verloop van tijd vroeg ik of ze het er al met hun boekhouder over gehad hadden, en waarachtig dat hadden ze. Zo begonnen de adviezen die ze kregen, de besluiten die ze namen, de regelingen die in dit geval van toepassing waren, druppelsgewijs tot me door te dringen.

Veldzicht, in de polder Kleine Houtdijk bij Woerden. Eén keer heb ik er aangebeld, om te zeggen dat er een dood geitje in de wei lag. Daarna altijd achterom, door de stal, 's zomers die eigenaardige stilte, alsof je door een lege concertzaal loopt, 's winters al die koeienkoppen die ophouden met kauwen om je aan te kijken en dan weer doorgaan met kauwen.

Pieter Molenaar, Cees zijn vader, vestigde zich hier in het najaar van 1936. Hij kwam uit Leimuiden. Hij had van thuis een paar blaarkoppen meegekregen en kocht er de volgende jaren telkens een paar bij. Uit Groningen. Want ja, Groninger blaarkoppen. Maar bij ons, aan de boorden van de Oude Rijn, tot Leiden aan toe, zijn ze ook lang in trek geweest.

In oktober 1995, een paar dagen voor zijn dood, maakten we nog een praatje met de oude man. Bij de herinnering aan die koeien, die per schuit waren aangevoerd, leefde hij op. ,,Zulke konten'', zei hij glunderend, zijn handen wijd uit elkaar.

De blaarkop is effen zwart of rood met een witte kop en blaren over de ogen. Volgens Marleen Felius (Rundvee, rassen van de wereld) dateert de oudste beschrijving van 1344. In de zeventiende eeuw moet dit de overheersende aftekening van het Nederlandse rundvee zijn geweest. Toen het ras in 1906 werd erkend, bestond de veestapel in Groningen bijna geheel uit blaarkoppen. In 1990 telde het stamboek nog vijftien stieren, twaalfduizend koeien en vierhonderdvijftig pinken. Status bij Felius: regionaal (sterk afnemend).

In de blaarkop vind je de laatste resten van de roemruchte dubbeldoelkoe: zowel voor het vlees als de melk, ze is kleiner, compacter, moederlijker dan de moderne koe, die dan ook meer als een marathonloper oogt.

Bij de Molenaars waren het zwarte (en die ene rooie!). In het voorjaar van 1991, toen ze naar buiten werden gedaan, schreef ik voor het eerst over ze en daarna zijn ze voortdurend in mijn werk blijven opduiken, tot op de huidige dag. Aan deze koeien meet ik andere koeien af.

,,Ze zijn mooi'', zei Cees destijds, ,,ze zijn sterk, ze gaan lang mee en leveren nog wat op als ze naar de slager gaan.''

,,Mijn vader had blaarkoppen'', zei hij. ,,En de vader van mijn vader had blaarkoppen en de vader van mijn moeder had ook blaarkoppen.'' Blaarkoppen zaten hem in het bloed.

Andere koeien mochten dan meer melk geven, maar die zag je niet zo laat in het jaar (een keer tot 5 december) nog buiten lopen. ,,Zo sterk zijn ze nou'', zei hij. Zijn koeien.

Die zomer liepen er géén kalfjes achter de boerderij. Werd hij daar niet neerslachtig van? ,,Nou'', zei Cees opgeruimd, ,,het betekent ook minder werk.'' Nu was hij al twee keer met Gré naar Noordwijk geweest. Ik kon me dat niet voorstellen, die twee op het strand. Pas toen Cees vertelde dat hij een paraplu meenam en dat hij die met een strotouwtje aan zijn stoel bond – toen werd het me een beetje duidelijk.

Goed, zij naar zee, ik naar Maarten van de Geer. Als Cees ermee ophoudt is hij de laatste in de buurt met blaarkoppen. Rode. Dezelfde kwaliteiten, maar dan in het rood.

Voor Maarten was het ook al zo'n rare zomer. Hij was in de gierput gevallen en had drie kwartier lang met een gebroken been in de drijfmest gestaan, wetende dat het met hem gedaan zou zijn als hij zijn bewustzijn verloor.

Hij zat met dat been. Zijn koeien, een twintigtal nog maar, werden door een ander verzorgd. Maar een ander kon je moeilijk de stier laten hanteren. Zodoende had hij de KI in de arm genomen, wat hem de keus gaf uit welgeteld twee roodblare stieren, één zuivere Hollander (,,een echte'') en één zo'n Amerikaans geval (,,allemaal melk'').

,,In 2003'', zei Maarten, ,,lopen hier precies honderd jaar blaarkoppen. En dan word ik ook al 65.'' Hij woont alleen, geen vrouw, geen kinderen, geen opvolger. Ook hier: het zijn de grote boeren die de problemen veroorzaken, het zijn de kleine die het veld ruimen.

De koeien gingen op 18 november op stal. Harde wind, kille buien, zware luchten boven de polder. Ik geloof wel dat ik me nuttig heb gemaakt. Iemand moet toch het hek open en dicht doen.

Ze worden één voor één klemgezet en dan gehalsterd en dan, hetzij door Cees, hetzij door Gré, weggeleid. Niet zonder verzet. Het zijn makkelijke beesten (`makkelijk' komt ongetwijfeld van mak), maar ze hoeven natuurlijk niet alles over hun kant te laten gaan. Elk jaar weer een beetje rodeo.

Tegen het vallen van de avond stonden ze allemaal op hun plek, klaar voor de winter (en meteen aan het vreten, maniakken zijn het!).

's Winters, als er gemolken wordt, moet ook Gré de overal aan – voeren en vegen. 's Winters moet Cees mest kruien. Vierenveertig koeien, ruim twintig kruiwagens vol stront en stro, dag na dag. Dat is hem langzaam tot een obsessie geworden. ,,Als alle mest die ik in mijn leven heb gekruid hier op een hoop lag... dan hoefde jij niet naar de Alpen om een berg te zien.''

Als ze dit bedrijf moe zijn, en dat zijn ze, dan zijn het vooral de winters die ze moe zijn.

Ooit dacht Cees dat hij het hele bedrijf aan een ander zou overdoen. Dan ging hij met Gré in het zomerhuis wonen en hij zou het helemaal niet erg vinden om te zien hoe een ander de baas werd over zijn erf.

Maar ja, 25 hectare, dat is naar de huidige normen geen vijftig koeien, dat is naar de huidige normen geen bedrijf.

Dus de onderdelen los in de verkoop. Wat grond en melkrechten opleveren, ligt min of meer vast, alleen over de prijs van de koeien zal onderhandeld moeten worden. En wat de boerderij zelf betreft – fiscaal aantrekkelijk om er nog een jaar of wat te blijven zitten.

Op 14 februari, 's middags, zaten er twee vreemde mannen aan de keukentafel, Fred Reinders uit Vriezenveen en Renger de Vries uit Nijkerk. De laatste bleek een boerderij op een landgoed te beheren. Daar wilden ze de eco-kant op, daar konden ze wel blaarkoppen gebruiken. Reinders had hem op het spoor van Molenaar gezet. Ze hadden vier beste koeien uitgekozen, en aan het kalf dat hier bij toeval nog geboren was (Cees wou z'n beesten kwijt voor ze moesten afkalven), konden ze ook geen weerstand bieden. Twee van die koeien en dat ene kalf zouden ze meteen meenemen. Na de thee reden ze met hun aanhanger van het erf af.

,,Zie jij nat bij mijn ogen?''

,,Nee Cees.''

,,Je kíjkt niet eens.''

,,Ik weet wat een flinke vent jij bent.''

,,Ik geloof dat jij het er nog moeilijker mee hebt dan ik.''

,,Ik zeg dat jij een flinke vent bent, Cees.''

Naderhand heb ik Fred Reinders opgebeld. Hij importeert stierensperma uit Amerika. Blaarkoppen zijn zijn liefhebberij.

Boeren, zei hij, staren zich blind op de melkgift, al die duizenden kilo's per koe. ,,Volgens mij'', zei hij, ,,moet je voor het rendement niet alleen naar de opbrengst, maar ook naar de kosten kijken. En op dat punt doen blaarkoppen het juist heel goed. Ze zijn sober, ze zijn gezond. Heb jij ooit een veearts bij Molenaar gezien?

,,Ik niet'', zei ik.

,,Aan de andere kant'', ging Reinders verder, ,,180 duizend kilo melk met veertig koeien, dat is echt niet meer van deze tijd.''

,,Geneer je je als je op zo'n bedrijf komt?''

,,Ik vind het juist prachtig dat er nog mensen zijn die het anders doen dan anderen. Zo'n Molenaar kan de laatste jaren ook best goed geboerd hebben. Weinig inkomsten misschien, maar ook weinig uitgegeven. Nee, ik geneer me eerder als ik op een bedrijf kom waar alles verdwijnt in de massaliteit.''

Hij had trouwens het gevoel dat het tij voor blaarkoppen begon te keren. ,,Ik voorzie een kleine vooruitgang. Steeds meer boeren gaan op de biologische toer en het kan niet anders of de blaarkop komt dan weer in beeld.''

Kerend tij? Dat is niet de indruk die je krijgt van Cor van der Waay. Die zit in Harmelen. Hij is secretaris voor de fokveedag regio Holland-Midden, jaarlijks in juli op het Exercitieterrein in Woerden, Zes, zeven jaar geleden hadden ze daar nog aparte rubrieken voor blaarkoppen. Op het laatst was er zo weinig aanvoer dat een boer die een blaarkop meebracht automatisch een kampioen had. Die rubrieken dus afgeschaft.

Zelf heeft Van der Waay ze ook gehad. ,,Mijn hart ligt bij blaarkoppen!'' In 1990 ongeveer is hij in zijn veestapel Holstein-Frisian gaan inkruisen. Intussen zijn er nog maar twee over die de aftekening van een blaarkop hebben. ,,De bloedvoering zat eigenlijk op een dood spoor. Meer dan zesduizend kilogram zul je van een blaarkop nooit krijgen. Met zwart- of roodbont zit je op het dubbele.''

Nee, nooit spijt van gehad.

Begin maart, net 62 geworden, zei Cees dat hij op de 31ste voor het laatst zou melken. ,,Dan krijg je voortaan zwarte koffie.''

Er waren gegadigden geweest voor zijn koeien. Ze schrokken terug als ze zagen dat ze nog horens hadden. Zo ouderwets. Zo lastig als ze in een loopstal moeten.

Bovendien is Cees nooit aan de melkcontrole geweest. Hij kan geen gegevens overleggen over de afstamming en productie per koe. Dat keert zich nu tegen hem, tegen zijn vee. Hij begon hem wel te knijpen.

Maar nu was het toch gelukt, nu had-ie ze allemaal van de hand gedaan aan een koopman uit Gouda.

Ik: ,,Heb je nou nooit dat je 'smorgens wakker schrikt en dat je denkt: ach jee, die arme koeien van mij?'' Dat had ik zelf namelijk, dat ik ze opeens voor me zag en dacht: dat wordt gewoon een geweldige slachtpartij.

Cees: ,,Wat ik wel had... gisteren moest ik een stel papieren invullen voor het geval die koopman ze naar het slachthuis moest sturen... daar kreeg ik wel een naar gevoel bij.''

Ik: ,,Want zeg eens eerlijk, die koeien van jou, denk je dat er daarvan volgend jaar nog acht of tien levend in de wei lopen?''

Gré: ,,Waarschijnlijk minder.''

Cees: ,,Op 1 april begint het nieuwe melkjaar, dan zijn er altijd boeren die er een paar koeien bijnemen. En als ze straks gekalfd hebben, als ze met een mooie uier op de markt staan...''

Het slachthuis, vroeg of laat, dat weet je. Het gaat om het moment, het motief. Dat een stel koeien geen toekomst zou hebben omdat de boer toevallig met pensioen gaat, dat is gewoon het goeie argument niet.

Maar van de silo met perspulp komt de bodem onderhand in zicht. Ook de hooiberg begint leeg te raken – nu kijk je vanuit de stal zo de polder in, een volkomen nieuw panorama.

Vrijdag 31 maart. Als ik het erf oploop, begint net de melkpomp te gieren. Voor het laatst. Het gelid van koeien op stal vertoont intussen flinke gaten. Voor de achterblijvers betekent dat voorlopig alleen maar meer ruimte.

,,Daar is vannacht nog eentje weggegaan'', wijst Cees. Een driespeen. Dus die had toch wel naar de slager gemoeten.

Er zijn er nog twaalf te melken over. De rest staat al droog. Van die twaalf worden er vandaag nog eens elf drooggezet (met een spuitje penicilline in de spenen om uierontsteking tegen te gaan). Twaalf min elf is één.

,,Die zal ik vanavond nóg een keer moeten melken'', zegt Cees. ,,En morgenvroeg ook. Morgenmiddag gaat-ie weg. Daar zit geen kalf in. Die was vorig jaar erg laat en toen heb ik `m niet meer laten dekken. Maar er komt nog zoveel melk uit. Ik zeg tegen die koopman: ,,'t is zonde om 'm droog te spuiten, eigenlijk zou-ie alsnog gedekt moeten worden. En nou heeft-ie er iemand voor gevonden.''

,,Dus die gaat voor het leven'', stel ik vast. Want meer mogelijkheden zijn er niet, ze gaan voor het leven of ze gaan voor de dood.

,,En deze twee gaan naar een hobbyboer in Eemnes.''

,,Dus ook voor het leven.''

,,Daar hamer ik op, dat ik wil dat ze voor het leven gaan, en die koopman, die zegt dat-ie z'n best doet, misschien om me gerust te stellen.''

Cees zet zich aan het melken, ik begin de gebruikelijke rondgang door de stal. Rechts in het midden, daar staat er een die altijd een stapje naar voren doet als ik in de buurt kom. Zij vraagt er om. Aai mij, en dan aaien wij.

Links bij de deur, daar staan de vaarzen, zes ranke meiden op een rij. Ze moeten het eerste kalf nog krijgen. Schuw nog, niet gediend van je hand. Maar vreten kunnen ze al. ,,Kijk eens hoe ze hun best voor je doen'', zeg ik.

,,Daar heeft-ie misschien ook iemand voor'', zegt Cees. ,,Over een paar dagen komen ze kijken. Hoe dichter ze tegen het afkalven zitten, hoe mooier ze uieren.''

De melkpomp raast, de koeien kauwen, nu en dan hoor je een zucht, een kreun die alleen uit het diepste van een koeienlijf kan komen. De komende dagen zullen er dus nog meer gaten vallen. Voor de rest wordt tegen half april een grote veewagen verwacht. Dan staat alleen de stier er nog. Die zal zich nog een tijdlang afvragen hoe het toch komt dat Cees nooit meer eens lekker naar koeien ruikt. Tot hij op gewicht is.

En die ene rooie? Zij staat bij de tussenmuur in de zijstal, het vroegere varkenshok. Net een hond. Heel dat lijf verstilt als je haar aanhaalt. Elke vezel concentreert zich op het plezier dat je haar doet. Ze legt haar kop zwaar op je onderarm. Je voelt het enorme gebeente van haar kaak, je ziet haar droevige oog, de sierlijke wimpers.

Een uurtje later zitten we aan de koffie. Cees haalt een oeroud schrift voor de dag. ,,Die rooie, eens kijken, die is van '88.''

,,Ja, die was er vanaf het begin al bij.''

,,Wat voor jou het begin was.''

,,Wat voor mij het begin was.''

,,En die zwarte'', zegt Cees, ,,die ernaast staat, die is nog een jaartje ouder.''

Om kwart over elf knerpt het grind. De melkwagen schuift achteruit langs het raam. Melk, de witte motor. Cees gaat de melkrijder gedag zeggen en als hij terugkomt: ,,Er zat nog 178 liter in de tank.''

Hij zou het helemaal niet erg vinden om te zien hoe een ander de baas werd over zijn erf

Ze legt haar kop zwaar op je onderarm. Je ziet haar droevige oog,

de sierlijke wimpers

    • Koos van Zomeren