Vogels op zijn best bij regen, mist of donker

Bestaat er een `typisch Belgisch' impressionisme? Einde 19de eeuw deden sommige critici hun best dat te doen geloven, al was het maar om de Belgische kunst te profileren tegenover de Franse. Tot op heden echter worden een pasteuze verfmaterie en een dramatische atmosfeer nog altijd gezien als lokale eigenaardigheden.

Één naam duikt wel vaker op in dat verband, die van de landschapsschilder Guillaume Vogels (1836-1896). Het Brusselse Charliermuseum presenteert nu tweehonderd werken van deze `bezinger van het klimaat van het Noorden, de loden luchten, het bewegende licht', zoals de folder hem aankondigt. Vogels is nog niet op zijn juiste waarde geschat, zo vinden het Charliermuseum en co-organisator het Museum voor Schone Kunsten te Oostende. Ze hebben gelijk. Hij is ten onrechte minder bekend dan zijn jongere landgenoot Emile Claus, die zich doorgaans tot consumptievriendelijk impressionisme beperkte.

Vogels was al tegen de veertig toen zijn werk opbloeide, eerst nog onder de vleugels van de Belgische plein-airisten Louis Artan en Hippolyte Boulenger, ook al schilders van zo'n `dikke materie'. Rond 1876 ontwikkelt hij een eigen stijl. Zeewater schuift als een dikke, lichtgrijze massa over donkergrijs zand, en lijkt even de voorstelling weg te spoelen. In Windstoot loopt een wit-groene band dwars over het beeld, alsof de wind letterlijk door de verf gierde.

Dit is een van de waagstukken uit de tentoonstelling, de momenten waarop Vogels op de schreef balanceert. Maar ondanks alle geweld van kwast en spatel houdt Vogels vast aan het stemmige natuurbeeld. De hoek van een vijver, het dorpje aan de horizon, de doorwaaide boom, ze blijven door de wilde toetsen schemeren. In sommige werken dreigt er een kloof tussen het `brave' onderwerp en de gedurfde uitwerking. Het gedurfde krijgt daardoor iets leegs, als een zinloze geste, als `gewroet' aan het oppervlak. Waar Vogels vrijpostig met kleur omspringt, loopt het eveneens fout. Het handjevol bloemstukken op de tentoonstelling is voorspelbaar bont gekleurd, en in zijn landschappen vergrijpt de schilder zich wel eens kinderlijk onbeheerst aan een paar regenboogkleuren.

Vogels heeft een getemperde atmosfeer nodig. In zijn beste werken heeft het net geregend, is het avond, of hangt er mist, zoals in de Miniemenkerk, waar groen- en purpertinten in de vochtige lucht een heerlijk bitter kleurakkoord vormen. Grijs blijft doorgaans het grondakkoord. Een bootje en een streep land fungeren als zwarte bakens in het eindeloze grijs van een zee. Het gele huis in Markt te Oostende zet zich als enige kleurvlek schrap tegen een in vaalgroen en -grijs uitwaaiende drukte.

Een groots oeuvre heeft Vogels niet nagelaten, daarvoor was hij te wisselvallig en schilderde hij te veel zwakke werken. Naar verluidt was hij in zijn laatste jaren enigszins verbitterd omdat prominente critici zich van hem hadden afgekeerd, ten voordele van het uit Frankrijk overgewaaide neo-impressionisme. Guillaume Vogels bleef achter als een solitaire, `autochtone' impressionist. Misschien had deze tentoonstelling een verband kunnen leggen tussen zijn werk en de toenmalige discussie over `Belgisch' en `Frans'. Ze beperkt zich echter tot de ophanging van werken in het charmante interieur van het `hôtel Charlier'. Een muziekje zorgt voor de stemming, een enkel werk hangt verstopt achter een luxueus gevulde buffetkast. Er is geen logisch parcours uitgestippeld. Dat is misschien niet zo erg voor een oeuvre dat zich niet in ontwikkelingsfasen laat opdelen, maar wat kernachtige informatie had geen kwaad gekund. Zelfs de obligate biografie ontbreekt: dit is een gezellige zondagtentoonstelling voor de liefhebbers.

Tentoonstelling: Guillaume Vogels (1836-1896). In: Charliermuseum, Kunstlaan 16, Brussel. T/m 3 juni. Open: di t/m zo 10-18u (van 24 juni t/m 28 augustus in het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten, Wapenplein, Oostende). Catalogus: 1.250 Bfrcs.