Prawer Jhabvala's ontheemde personages

Ruth Prawer Jhabvala staat vooral bekend als de schrijfster van Heat and Dust, de door Merchant-Ivory verfilmde roman waarvoor ze de Booker Prize kreeg.

Ze schreef nog elf andere romans, vijf verzamelingen korte verhalen en tal van scenario's en bewerkingen voor diverse Merchant-Ivory films. In haar zesde verhalenbundel, East into Upper East. Plain Tales from New York and New Delhi, bestrijkt ze bekend terrein. De schrijfster, afkomstig uit een Pools-joodse familie maar opgegroeid in Duitsland, woonde jarenlang in India, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, en putte hier uit haar ervaringen met deze landen. Haar verhalen worden bevolkt door zoekenden, migranten, of mensen die, al blijven ze op één plek, toch op een of andere manier hun verankering zijn kwijtgeraakt.

Net als in haar scenario's haakt Prawer Jhabvala vaak naar vervlogen tijden: `We were all young then and in our beginnings', luidt het begin van een verhaal waarin een oudere Britse vrouw herinneringen ophaalt aan de jaren die ze doorbracht in het India van vlak na de Onafhankelijkheid, en het clubje vrienden waarmee ze toen verkeerde. Van de idealen van toen is weinig terecht gekomen, van hun ambities en plannen evenmin. Veel personages in deze verhalen zien hun toch al niet zo stabiele leven ontwricht worden door nepgoeroes, oplichters die zich voordoen als vrienden, logés die niet meer willen vertrekken, zonder dat ze in staat zijn er iets aan te doen.

Prawer Jhabvala is goed in het weergeven van de gradaties van ontluistering in menselijke relaties, variërend van kleine teleurstellingen tot regelrecht verraad. Haar verhalen zijn ambachtelijk mooi geschreven, soms haast ouderwets van structuur, vaak licht satirisch, maar altijd subtiel.

Ruth Prawer Jhabvala: East into Upper East. Abacus, 345 blz. ƒ25,95

Verdwenen levens bij Sinclair en Lichtenstein

Op een dag in 1969 verliet de joodse geleerde en kluizenaar David Rodinsky de zolderkamer waar hij woonde, boven de oude synagoge in Princelet Street in het Londense East End. Hij keerde niet meer terug. Pas in 1980 werd zijn kamer bij toeval ontdekt, precies zoals hij hem had achtergelaten: een pannetje havermout op het fornuis, al zijn kleren in de kast, het bed onopgemaakt met zijn hoofdafdruk nog in het kussen. Overal slingerden boeken en papieren, volgekrabbeld met kabbalistische diagrammen en aantekeningen in vreemde talen, variërend van Chinees tot Aramees. Rodinsky's raadselachtige verdwijning sprak sterk tot de verbeelding, niet in de laatste plaats door het `tijdcapsule'-effect van zijn onberoerde kamer. Foto's gemaakt in 1980 tonen een verstild, tijdloos interieur, als een schilderij van Vermeer.

Die foto's zijn opgenomen in het boek dat Iain Sinclair en Rachel Lichtenstein hebben geschreven over de man en zijn kamer, Rodinsky's Room. Toen de jonge Britse kunstenares Rachel Lichtenstein voor het eerst de kamer zag, raakte ze volledig geobsedeerd door Rodinsky. Lichtenstein, net als Rodinsky afkomstig uit een familie met een joods-Oosteuropese achtergrond, begon een speurtocht naar het verhaal achter Rodinsky's verdwijning, die tegelijkertijd een speurtocht naar haar eigen wortels werd. Rodinsky's Room wisselt het vaak meeslepende verslag van haar bevindingen af met hoofdstukken van Sinclair, de schrijver met een encyclopedische kennis van het East End, gespecialiseerd in `mythische geografie'.

Lichtenstein deelt Sinclairs ietwat mystieke neigingen, maar schrijft er helder over. Ze maakt installaties met materiaal uit de kamer, fotografeert alles, gaat te werk als een detective, interviewt oude bewoners van Princelet Street, reist naar Polen en Israel en ontdekt uiteindelijk inderdaad wat er met Rodinsky is gebeurd. Bovendien legt ze de verbanden bloot tussen de onopgemerkt verdwenen man, een verdwenen cultuur en een verdwenen volk. Rodinsky's Room wordt zo het boeiende, wrange verhaal van de joodse cultuur in Oost-Europa, een studie naar de psychologische effecten van immigratie en een requiem voor het ooit zo bloeiende joodse leven in het East End, nu zo goed als verdwenen.

Rachel Lichtenstein, Iain Sinclair: Rodinsky's Room. Granta, 338 blz. ƒ37,95. De Nederlandse vertaling, van Ronald Jonkers, Rodinsky's kamer, verschijnt in mei bij Meulenhoff.

Mohsin Hamid over Pakistaanse corruptie

Verliefde motten, cirkelend om een kaarsvlam, steeds gedesoriënteerder, grilliger fladderend, een vleugel schroeiend, totdat ze opeens, poef, veranderen in een vuurballetje dat niets dan wat rook achterlaat. Dat is het beeld voor de twee geliefden in Mohsin Hamids debuutroman Moth Smoke. Het zou ook een metafoor kunnen zijn voor de verzuurde vriendschap tussen Darashikoh, de hoofdpersoon van de roman, en zijn jeugdvriend Oki, of voor de onoverbrugbare kloof tussen arm en rijk in Pakistan, of voor de precaire relatie tussen Pakistan en India, die beide kernproeven houden in het jaar dat het boek speelt, 1998.

Darashikoh, een voormalige promovendus, werkt bij een bank in Lahore maar voelt zich eigenlijk te goed voor het baantje. Op school was hij altijd al veel beter dan zijn rijke vriend Ozi, maar het ontbrak hem aan de middelen om de broodnodige diploma's van buitenlandse universiteiten te bemachtigen. Wanneer Ozi terugkeert uit de Verenigde Staten, in het gezelschap van zijn verleidelijke, intelligente vrouw en zijn zoontje, gaat er iets broeien bij Darashikoh. Die zou dolgraag willen behoren tot de upper class die hij zo veracht, maar maakt gezien zijn afkomst geen enkele kans. Wanneer hij ook nog weigert om kruiperig te doen tegen een rijke, belangrijke cliënt wordt hij ontslagen. Het blijkt het begin van een oefening in zelfdestructie, via drugs, een affaire met Ozi's vrouw, en geweld. Dit alles is ingebed in het verhaal van een rechtszaak waarin Darashikoh terecht staat, maar pas op het allerlaatste moment wordt duidelijk waarom.

Darashikoh is niet direct een sympathiek personage – hij is snobistisch, behandelt zijn bediende slecht, weekt geld los van een arm familielid – maar daarom des te interessanter en geloofwaardiger. Bovendien toont Hamid dat hij er alle reden toe heeft verbitterd te zijn over zijn situatie en de situatie in het land, waar mensen als Ozi boven de wet staan. Hamid schetst een onthutsend nieuw, modern beeld van Pakistan, met een kleine jetset die ecstasy slikt op feesten en dure whisky drinkt, terwijl de economie instort onder invloed van de kernproeven, en de rottende karkassen op straat de stank van corruptie nauwelijks kunnen verhullen.

Mohsin Hamid: Moth Smoke.

Granta, 247 blz.ƒ41,95

Peter Ho Davies lost belofte ruimschoots in

De verhalen in Equal Love, de tweede bundel van de Welsh-Chinese schrijver Peter Ho Davies, gaan allemaal over de relatie tussen ouders en kinderen. Het fragment uit E.M. Forster waar de titel aan ontleend is, stelt dat als ouders en kinderen maar evenveel van elkaar zouden houden, met `equal love', iedereen `wonderfully happy' zou zijn. Ho Davies' verhalen maken dat niet aannemelijk. Zijn personages streven er weliswaar voortdurend naar de afstand in die per definitie ongelijksoortige relatie te overbruggen, maar lijken daar hooguit ten dele in te slagen.

Ondanks het gemeenschappelijke thema zijn de verhalen verre van eenvormig. De indrukwekkende opening, `The Hull Case', is geïnspireerd op één van de eerste gerapporteerde gevallen van een vermeende ontvoering door een UFO. Ho Davies maakt er een complexe vertelling van, vol subtiele ironische observaties, die getemperd worden door de tragische achtergronden van de zaak. Het echtpaar bestaat uit een zwarte man, Henry, en zijn blanke vrouw Helen, nogal ongebruikelijk voor New Hampshire in de jaren vijftig. Belangrijker nog, het stel is ongewild kinderloos. Tijdens het onderzoek over hun ontvoering beschrijft Helen de UFO als `Baby blue'. Terwijl zij verder ondervraagd wordt door een – blanke – legerofficier, loopt Henry naar buiten, zich verbijtend over de verhalen die ze de officier zal vertellen: hoe de kleine grijze mannetjes haar vreemde kinderen toonden, hoe ze één van haar eitjes hebben weggehaald. Henry kan zich niets herinneren.

Andere verhalen beschrijven gescheiden ouders, een handelsreiziger die door zijn voortdurende afwezigheid zijn gezin verliest, een baby die door de kinderbescherming uit huis wordt gehaald – steeds in opvallend gevarieerde vertellingen die vrij zijn van vals sentiment. Een prettig, ingehouden gevoel voor humor houdt de in potentie loodzware kost licht, zonder dat de verhalen aan diepgang inboeten. Met Equal Love heeft Ho Davies de belofte van zijn veelbekroonde debuut, The Ugliest House in the World, in ruime mate ingelost.

Peter Ho Davies: Equal Love.

Granta, 180 blz. ƒ41,95

Eerder als hardback besproken in deze krant:

T.C. Boyle: Stories.

Penguin, 691 blz. ƒ25,95

Dikke verzameling met vaart geschreven, licht-absurdistische verhalen vol zwarte humor. `Boyle schrijft even makkelijk over president Eisenhower of de blueslegende Robert Johnson als over anonieme alcoholisten, en schrikt er in zijn romans niet voor terug om bekende historische figuren te voorzien van een verzonnen verleden.'

(Pieter Steinz, 15.10.93).

J.M. Coetzee: Disgrace.

Vintage, 220 blz. ƒ27,95

Met Booker Prize bekroonde roman over het moderne Zuid-Afrika in de vorm van de wederwaardigheden van de in ongenade gevallen literatuurprofessor David Lurie, die zich gedwongen ziet al zijn privileges en principes op te geven.`Ondanks een enkele hint die wijst op een betere toekomst schildert Disgrace een beeld van onthutsende somberheid.'

(Corine Vloet, 20.8.99)