Noord is noord en zuid is zuid

A.B. Yehoshua (Jeruzalem 1936) behoort tot een generatie van Israëlische schrijvers die maatschappelijk engagement hoog in het vaandel hadden en hebben staan. `Wie in Israël woont', zegt hij in de introductie bij de vertaling van zijn nieuwste boek, Reis naar het einde van het millennium, `kan niet anders en buitenlandse schrijvers benijden ons daar wel eens om. In het Westen is literatuur vaak amusement geworden, maar bij ons staat alles noodgedwongen in het teken van fundamentele vragen over leven en dood.'

Ondanks Yehoshua's stelligheid wordt deze opvatting in Israël tegenwoordig steeds minder gedeeld. Jongere auteurs keren zich af van politieke problemen en schrijven bij voorkeur over de liefde of de leegte van het moderne bestaan. Waarbij het overigens de vraag is of hun boeken daardoor minder in het teken staan van fundamentele vragen over leven en dood. Gelukkig is Yehoshua zelf nog zeer productief. Gelukkig, niet alleen vanwege zijn engagement, maar ook omdat er maar weinig schrijvers zijn die hun lezers zo weten te amuseren – in de goede zin van het woord – als juist A.B. Yehoshua. Telkens weer weet hij vanuit een originele invalshoek een veelkleurige wereld te scheppen. Het engagement zit hem vooral in de confrontatie van verschillende wereldbeelden in heden en verleden.

In zijn vroege werk zoekt Yehoshua het vooral in eigen land en tijd. In een van zijn eerste novellen, Met het oog op de bossen uit 1963, wordt een Israëlische student die werkt als brandwacht in een bos van het Joods Nationaal Fonds, geconfronteerd met een oude Arabier die ooit woonde op de plaats waar na 1948 het bos werd aangelegd. Als hij het bos in brand steekt, grijpt de brandwacht niet in. Later breidt Yehoshua zijn werkterrein uit. Zo beschrijft hij in de roman Meneer Mani (1990) momentopnamen van vijf generaties van een sefardisch-joodse familie op cruciale momenten in de wereldgeschiedenis.

En nu is er dan Reis naar het einde van het millennium. De titel verwijst naar de tocht die de joodse koopman Ben-Atar in het jaar 999 onderneemt van zijn woonplaats Tanger naar `het stadje Parijs'. Jarenlang dreef hij met zijn neef Aboelafia en de mohammedaan Aboe Loetfi in een florerend compagnonschap handel met Europa. Het begon toen Aboelafia's vrouw zelfmoord pleegde en de bedroefde weduwnaar rust vond in het zwerven door afgelegen Europese streken. Er bleek veel belangstelling voor zijn handelswaar, en elk jaar verdeelden de drie compagnons tot volle tevredenheid de opbrengst. Totdat Aboelafia een nieuwe vrouw vindt: madame Ester-Mina, een koele, blonde joodse weduwe die in Parijs woont en afkomstig is uit een rabbijnsgeslacht in het Duitse Worms. Ze is dol op haar nieuwe man, maar één ding is haar een gruwel: zijn oom Ben-Atar houdt er twee vrouwen op na. Ze eist daarom dat Aboelafia zich terugtrekt uit het compagnonschap. Met pijn in het hart voldoet hij aan haar verzoek. Tot verbijstering van Ben Atar, die volmaakt gelukkig is met zijn beide vrouwen en zich niet kan voorstellen wat er niet aan deugt. Daarom, en omdat hij nodig van zijn handelswaar af moet, nu die niet meer door Aboelafia aan de man gebracht wordt, onderneemt hij een waagstuk. Hij koopt en verbouwt een oud slagschip, huurt een betrouwbare kapitein in en vertrekt met zijn mohammedaanse compagnon en zijn beide vrouwen over water naar het verre Parijs om herstel van het compagnonschap te eisen. Hij hoopt dat de vrouw tot inkeer zal komen op het moment dat ze ziet hoe harmonieus zijn gezin samenleeft. In Sevilla komt een rabbijn aan boord, die de nieuwe vrouw en vooral haar vrome broer ervan zal moeten overtuigen dat er ook geen religieuze bezwaren bestaan tegen Ben-Atars bigamie (`Kijk maar naar Abraham').

Het boek begint als het schip de monding van de Seine binnenvaart. De plaatselijke bevolking reageert verwonderd maar niet vijandig op het veelkleurige gezelschap. Het is een relatief rustige tijd in Europa. Het jaar 1000 is in aantocht, waarin naar christelijke verwachting de Messias zal terugkeren. Ondanks de vage angst van de joden dat dat voor hen ongunstig zal uitpakken, worden ze met rust gelaten. Het boek beschrijft dan ook niet een strijd tussen joden en christenen, maar tussen twee soorten joden.

Vanaf het moment dat Ben-Atar met zijn gezelschap voet aan wal zet in Parijs, wordt de confrontatie duidelijk tussen de tolerante, sensuele joden uit het Zuiden en de strenge, rationele joden uit het Noorden die denken de wijsheid in pacht te hebben. Het is de tegenstelling tussen sefardische en asjkenazische joden die Yehoshua – zelf telg van een sefardische familie die al vele generaties in het land Israël woont – maar al te goed kent uit zijn eigen omgeving. Waar de sefardiem uit Noord-Afrika door de uit Europa afkomstige asjkenaziem nogal eens voor achterlijk en ouderwets worden versleten.

Je zou dit boek een statement van de schrijver kunnen noemen, waarmee hij wil laten zien hoe rijk en tolerant de cultuur van de sefardische joden was, die bovendien in grote harmonie leefden met hun mohammedaansse plaatsgenoten. Maar het aardige van Yehoshua is dat je zijn boeken niet hóeft te zien als beginselverklaringen. Reis naar het einde van het millennium is ook een meeslepende roman, die de lezer meevoert over de rumoerige markt van Tanger, de kabbelende Seine aan het eind van de zomer en de donkere Duitse bossen waar het gezelschap uiteindelijk ook nog terechtkomt, met ons zo bekende Noordwest-Europese landschap – het malse gras, de glooiende heuvels, de zachte kleuren, zelfs de fijne regen – krijgt bezien door zuidelijke ogen opeens een onvermoede, kalme schoonheid. In de eerdere romans koos Yehoshua soms voor een veelvuldige wisseling van perspectieven. Dit boek heeft één verteller, die alle personages met compassie en een zekere geamuseerdheid beschrijft. Iedereen wordt in zijn waarde gelaten en juist daardoor valt op hoe relatief zogenaamd vaststaande waarden zijn. Aanvankelijk lijkt Ben-Atar het pleit makkelijk te winnen. De broer van Ester-Mina heeft in een nabijgelegen wijndorpje een ad-hoc rechtbank samengesteld die Ben-Atars eis moet beoordelen. De rechters zijn torakopiïsten. Het toont het onbegrensde vertrouwen van de broer in de letter van de wet: wie de tora schrijft, bezit de deskundigheid. De gewiekste Spaanse rabbijn beseft dat de joodse wet hier geen uitsluitsel kan geven: het gaat erom op het gemoed te werken van het publiek, eenvoudige wijnmakers en druivenplukkers. Hij weet hun ertoe te bewegen uit hun midden een nieuwe rechtbank te vormen, bestaande uit vrouwen en een Oosterse koopman. De gloedvolle betogen van de rabbijn en Ben-Atar overtuigen de rechters van de morele juistheid en een huwelijk met twee vrouwen.

Maar Ester-Mina laat het er niet bij zitten. Ze verklaart zichzelf tot `opstandige vrouw' en dwingt haar man – die verscheurd wordt tussen zijn liefde voor zijn vrouw en zijn oom, het Noorden en het Zuiden – te kiezen tussen haar en Ben-Atar. Ook hier weet de Spaanse rabbijn iets op: ze leggen het geschil voor aan een rechtbank in Ester-Mina's geboorteplaats Worms. Daarmee overspeelt hij echter zijn hand: in dit bolwerk van rechtlijnigheid heeft men geen boodschap aan tolerantie en levensvreugde, zeker niet als de tweede vrouw verkondigt dat zij niet alleen tevreden is in haar huwelijk, maar nog gelukkiger zou zijn als zij ook een tweede man zou krijgen. Ben-Atar wordt in de ban gedaan en keert met zijn gezelschap verslagen terug naar zijn schip in de Seine. Maar dat is nog niet het eind van het verhaal. Een tragisch voorval geeft een verrassende slotwending aan deze roman, die een hartstochtelijk pleidooi houdt voor verdraagzaamheid, tegelijkertijd aantoont hoe moeilijk het is om dat ideaal te bereiken, maar die voor alles een feest is om te lezen.

A.B.Yehoshua: Reis naar het einde van het millennium. Uit het Hebreeuws vertaald door Ruben Verhasselt. Wereldbibliotheek,

365 blz. ƒ49,50