Niet-westerse kunst in het Louvre

President Chirac opende gisteren de afdeling `primitieve kunst' in het Louvre, als opmaat voor een apart museum voor `kunsten en beschavingen'. De aandacht voor niet-westerse kunst is in Frankrijk inzet van een gevoelig politiek debat.

,,Een groot cultureel moment en daarmee een groot politiek moment'', noemde de Franse president Jacques Chirac gisteren de opening van een afdeling `primitieve' kunst in het Louvre. Die woorden waren op een goudschaaltje gewogen. Niet alleen zei de president van een land dat veel verschillende culturen herbergt daarmee dat die culturen vanaf heden voor vol worden aangezien, ook refereerde hij impliciet aan de strijd die het gekost heeft om de kunst `van de wildemannen' het Parthenon van de westerse en antieke beschaving binnen te loodsen. Ook onderstreepte Chirac er het belang van zijn eigen hoogstpersoonlijke `grand travail' mee.

De tentoonstelling van 117 objecten uit Oceanië, Afrika, Azië en de beide Amerika's in het prestigieuze Pavillon des Sessions van het Louvre-museum is inzet geweest van een jarenlange controverse. Pleitte de schrijver Apollinaire al in 1909 voor opname van `bepaalde exotische meesterwerken' in de collectie van het Louvre, in 1990 publiceerde de collectioneur en handelaar in uitheemse kunst Jacques Kerchache een door honderdvijftig kunstenaars ondertekend manifest met die strekking in het dagblad Libération. De hartenkreet van Kerchache werd door de conservatoren van het Louvre toen nog met schouderophalen afgedaan.

Hun onverschilligheid maakte plaats voor openlijk verzet toen president Chirac, in de lijn van zijn voorganger Mitterrand naarstig op zoek naar de mogelijkheid om zichzelf ook met een Groot Werk te vereeuwigen, in 1996 de bouw van een museum `voor kunsten en beschavingen' aankondigde. Het door architect Jean Nouvel ontworpen gebouw (de maquette is op dit moment te zien in Musée Beaubourg) komt te staan aan de Quai Branly. Maar het museum wordt pas in 2004 geopend en in 2002 worden de presidentsverkiezingen gehouden met onzekere afloop voor de zittende president. Het was dus zaak het publiek al voor die tijd een blik op het door Chirac na te laten monument te gunnen. En waar kon dat beter dan in het Louvre?

Daarmee belandde de kwestie in serieuze en politiek gevoelige cultuurfilosofische sferen. Is `primordiale' kunst wel kunst? Of is het op kopiëren gebaseerde nijverheid, zonder persoonlijke signatuur, die alleen bestaat bij de gratie van de magische en occulte betekenis die de `gebruikers' er aan hechtten? Kan dergelijke `toegepaste' kunst, waaraan weliswaar Picasso tot en met Giacometti schatplichtig zijn, wel als een product van autonome en artistieke expressie gezien worden? Hoewel de tentoonstelling in het Louvre nu dank zij de persoonlijke inzet van Chirac gerealiseerd is, zijn die vragen nog steeds niet beantwoord. De moeilijkheden die de benoeming van deze kunst en van het nieuwe museum veroorzaken, zijn daarvan het bewijs. Na het nog in het midden van de vorige eeuw gangbare `negerkunst', via `oerkunst' en `primitieve' kunst houdt men het voorlopig nadrukkelijk: voorlopig maar even op het strikt genomen onjuiste, maar politiek neutrale `arts premiers', `eerste kunsten'.

De conservator van de tentoonstelling, de omstreden Kerchache nog een reden voor tandengeknars in het Louvre geeft intussen een ondubbelzinnig antwoord op de open vragen. Hij heeft er alles aan gedaan om de esthetiek, de autonome artistieke kracht van het getoonde te benadrukken. De symmetrische inrichting van het duizende vierkante meter grote Pavillon des Sessions door architect Jean-Michel Wilmotte is voornaam, neutraal en zakelijk. De kleur is die van wit zand. Heldere, ruimtevullende en daardoor onopvallende belichting bant door het gebrek aan dramatiek iedere gedachte aan occultisme uit. Het cliché van `primitieve' kunst, het masker, ontbreekt, evenals informatie over de oorspronkelijke betekenis van de inderdaad adembenemende pracht die is samengebracht. Daarvoor kan de bezoeker terecht in een apart informatiecentrum.

Pierre Rosenberg, directeur van het Louvre, gaat ervanuit dat de collectie straks naar de andere kant van de Seine, naar de Quay Branly verhuist. Volgens de president zelf blijft die in het Louvre. Wie de strijd wint, is onzeker. Net als Chirac ruimt Rosenberg, die met pensioen gaat, voor 2004 het veld.