Nederland kan niet anders dan kwispelstaarten

Zij onderkennen dat zij kleine honden zijn, maar zij willen een plaats aan de tafel. Ik zie de Hollanders als het geëigende voorbeeld; een kleine luchtmacht, een trotse luchtmacht, een competente luchtmacht, zij hebben hun eigen tankvliegtuigen gekocht (...) U herinnert zich de eerste nacht van de oorlog, toen een Nederlandse F-16 een MiG-29 neerhaalde. Een kleine luchtmacht, maar een plaats aan de tafel, en ik wist dat ik de Hollanders overal heen kon sturen waar zij nodig waren en zij salueerden en zeiden: ja boss, we zullen er zijn.''

Het is alweer even geleden, om precies te zijn 21 oktober 1999, dat luitenant-generaal Michael Short tijdens een hoorzitting voor de Amerikaanse Senaat zich zo lovend over de Nederlandse luchtmacht uitliet. Short was bevelhebber van de NAVO-luchtstrijdkrachten tijdens de luchtoorlog tegen Miloševic over Kosovo. De generaal, die zich in zijn getuigenis nogal opwond over de gedetailleerde bemoeienis van Europa's leiders met de campagne, lijkt hier te willen zeggen dat wat hem betreft de Nederlanders, dankzij hun prestaties boven het slagveld, aanspraak konden maken gehoord te worden.

De werkelijkheid is echter een andere. Generaals bepalen niet welke naties het `aan de tafel' voor het zeggen hebben. In theorie hebben alle lidstaten dezelfde inbreng, maar in de praktijk van een interventie zoals die in Kosovo telt de omvang en het gewicht van de landen. Dat veroorzaakt ongemak. Achteraf verwijten de Amerikanen de Europeanen te vaak en te nadrukkelijk op de rem te hebben getrapt waardoor de actie veel langer duurde dan nodig was. Short: we hadden de eerste nacht de slang bij de kop moeten vatten. Van Europese kant klinkt de klacht dat de Amerikanen hun zin doordreven, zonder al te veel rekening te houden met de politieke spanningen die de luchtoorlog aan het Europese thuisfront opriep.

De betrokken Nederlandse ministers beklagen zich achteraf op hun beurt over de eigengereidheid van de grote landen die Nederland onthielden waar het naar eigen inzicht recht op had. De woorden van Short zullen hun deugd doen, maar helpen hen niet verder. Hoe competent de luchtmacht ook is, het soortelijk gewicht van Nederland is te gering om verschil te maken. Soms gelden bijzondere omstandigheden zoals in het geval van Italië dat dienst deed als vliegdekschip. Doorgaans bepalen de traditionele machtsverhoudingen de uitkomst van overleg. In Kosovo waren het de Amerikanen, de Fransen, de Britten (in die volgorde) en op enige afstand de Duitsers die het voor het zeggen hadden.

Het is oud zeer. Minister Van Mierlo had er in zijn tijd al moeite mee dat Nederland geen contact had met de zogenoemde Contactgroep voor Bosnië – hoewel het, niet alleen in Srebrenica, een belangrijk aandeel had in de VN-vredesmissie in dat gebied. De bewindsman pleitte voor een constructie die de afstand tussen de troepenleveranciers en de besluitvorming zou verkleinen. Het is het dilemma van geallieerde oorlogvoering zoals dat al tijdens de Tweede Wereldoorlog de kop opstak. Wie betaalt, bepaalt, maar ook de soldaten van de kleinere deelnemers aan het avontuur zetten hun leven op het spel en voor politieke leiders telt dat zwaar, moet dat zwaar tellen, of zij nu kleine of grote landen vertegenwoordigen.

Waar de klaagzangen van de Nederlandse bewindslieden toe leiden, is moeilijk te voorzien. Nederland zit zo vastgebakken in zijn bondgenootschappen dat het bijzonder weinig manoeuvreerruimte heeft overgehouden. Het enige wapen dat het in handen heeft is voorwaarden ontwikkelen voor deelname aan interventies en voor de eer bedanken als het geen gehoor krijgt. De geschiedenis leert dat zo een opstelling in Den Haag nauwelijks bespreekbaar is. Zelfs na het debacle in Srebrenica – de bondgenoten hebben zich nog steeds niet verantwoord voor hun aandeel daarin – is een dergelijke mogelijkheid niet overwogen. Tijdens de lange aanloop naar de interventie in Kosovo waren hier en daar wel enige bedenkingen te horen, maar onopgemerkt en zwijgzaam passeerde Den Haag ten langen leste het point of no return.

De ruimte voor Nederland zal eerder beperkt dan uitgebreid worden in het op stapel staande Europese leger – dat overigens zo niet mag heten. Mogelijk dat dit besef meespeelde toen de betrokken Nederlandse ministers ietwat traag reageerden op het Brits-Franse initiatief daartoe. In NAVO-verband vliegt men tenslotte nog altijd onder de beschermende vleugels van de Amerikaanse adelaar, maar Europa moet het doen zonder een leidende mogendheid. Zal in een voorkomend geval Britse dadendrang, Frans diplomatiek vernuft of Duitse terughoudendheid de toon zetten? Voor verantwoordelijke Nederlandse politici een vraag die aandacht verdient.

Voor de `netwerkers' onder ons lijkt dit overigens een toestand die kansen biedt voor beïnvloeding. Als de groten verschil van mening hebben, bijvoorbeeld over lucht- of grondoorlog, en er geen allergrootste is die de richting bepaalt, kan een land als Nederland de schaal laten doorslaan. Zou Den Haag, deze benadering volgend, in Kosovo de Britse (grondoorlog) of de Franse optie (eerst nog even onderhandelen in Rambouillet) hebben gesteund of de Duitse (de opening richting Moskou)? We weten het niet, juist omdat van Nederland geen standpunt werd verwacht en Den Haag zelf niet met een standpunt te koop heeft gelopen. Waarom zou het in een zuiver Europees concert anders gaan?

Voorlopig is niet veel meer bekend dan het streefgetal aan mankracht dat de Europese Unie over een paar jaar beschikbaar wil hebben om in te grijpen wanneer zij dat nodig acht, al of niet in NAVO-verband. Die mankracht zal opgesplitst blijven in nationale eenheden die zullen worden samengevoegd als het alarm heeft geklonken. Het is een concept dat aan de kruistochten doet denken toen de ridders zich verzamelden om het Heilige Land te bevrijden. De NAVO beschikt over een jarenlang beproefde infrastructuur. De Unie moet die nog opbouwen. In die fase kan Nederland zijn stem laten horen, maar dat het, als eenmaal het marsbevel heeft geklonken, nog een `plaats aan de tafel' krijgt, lijkt niet aannemelijk. De kleine honden zullen het moeten doen met de waardering van hun baas. We weten wat honden dan meestal doen: kwispelstaarten.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.