Met vermaak opgevuld

De moderne beoefening van het vak sociale geschiedenis, zo meen ik vanop afstand te kunnen beweren, valt uiteen in twee stromingen: de nazaten van Pluizer (een feitelijk ingestelde romanfiguur van Frederik van Eeden) en de historische vertellers. Toen het aanvankelijk fascinerende Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis destijds van verhalen op staatjes overschakelde heb ik mijn abonnement opgezegd. Niet meer om door te komen. Een verhaal leest lekkerder dan kolommen vol percentages.

Diezelfde tweedeling is zichtbaar in Vermaak van de elite in de vroegmoderne tijd, een bundel bijdragen van historici voor een Leidse studiedag over dit onderwerp, gehouden in het voorjaar van 1999. Maar als we de verhouding in percentages uitdrukken, komen we op 7,14 procent (pluizers) tegenover 92,86 procent (vertellers). Als dat representatief is voor de huidige stand van de sociale geschiedenisbedrijving, dan juichen wij in de onderkast. Want daar hoort het vermaak van de vroegmoderne elite toch thuis, vooral als het gaat om een bundel met stukken over detailonderwerpen als buitenverblijfbezitters, vermaaksaspecten van huisinrichting, Italiaanse hoftennisspelers, beoefenaars van de edele jacht of de hogeschoolhippiek, dansers, de medische satire, mythologie in de poëzie, zestiende-eeuwse loterij, optische spelletjes, onderhoudende plafonddecoraties en verzamelen als tijdverdrijf te Braunschweig-Wolfenbüttel.

De 7,14 procent die ik noemde wordt bestreken door de Leidse universitair docent Dirk Jaap Noordam. Dankzij zijn tabellen weten we dat het aantal speeltuinen in de periode 1651-1660 401 bedroeg, te weten 135 te Leiderdorp, 92 te Oegstgeest en 174 in Zoeterwoude. In het tijdvak 1740-1749 telde hij nog slechts een totaal van 346 speeltuinen, waarbij ons opvalt dat Leiderdorp en Oegstgeest inderdaad sterk zijn gedaald, Zoeterwoude daarentegen laat een stijging zien – van 174 naar 196. Een opmerkelijke ontwikkeling. We moeten bij speeltuinen overigens niet aan schommel en wip denken, maar aan een lapje platteland `met potinge en plantinge', een of meer prieeltjes en een schuurtje voor schop en hark. De Leidse elite vermaakte zich dus met tuinieren. Ook als de gereedschapsschuurtjes waren uitgebouwd tot luxe buitenhuizen bleef men tuinieren. Een historicus als Noordam vermeldt met opvallende hardnekkigheid de prijzen der opstallen, bedragen die niet in eerste instantie iets wakker roepen bij de oningevoerde lezer en (tabel 1 tot en met tabel 5) zeker ook niet bijdragen tot de algemene leesbaarheid.

Op naar de 92,86 procent vertellers in Vermaak van de elite in de vroegmoderne tijd. Mooi is alleen al de getuigenis uit 1739 van de Leidse schutterskapitein Coenraad Teling van Berkhout, waarmee C. Willemijn Fock haar stuk over huiselijk vermaak in de Republiek Holland opent: `Mijn occupatiën bestaan van 's morgens bij een goet vuur met een goede Japonese rok aan mijn teetje te drinken, wat te leesen of iets anders. Om elf uren naa de Vismarkt, tegen twaalf uren naa 't coffyhuis, ten een uure aan tafel (...) en drink goede rode wijn toe van Goutick en zomtijds een flesje van Poisson. Naa den eeten gaan ik een wandeling doen en kom tegen vier uuren bij mijn vrouw een kopje thee drinken en 's avonds met haar op gezelschap of thuis dat weinig gebeurt want meest uyt ben, dan onze avondsoupé en verders naa bed daar wij malkander goed doen.' Een heerlijke achttiende-eeuwse dag, bekroond door `malkander goed doen'. Fock heeft haar lezers meteen waar zij ze hebben wil: bij die interieuraspecten die speciaal voor ontvangst zijn toegevoegd, met als hoogtepunt de Nederlandse invoering van de suitedeur (porte-brisée), die twee kamers tot één sociale ruimte maken.

Er staan mooie stukken in Vermaak van de elite in de vroegmoderne tijd. E. Kolfins `Betaamt het de Christen de dans te aanschouwen?' bijvoorbeeld, een overzicht van dansende elite op Noordnederlandse schilderijen en prenten in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Ondanks het antwoord van de predikanten (`Soo vele passen ofte stappen als den mensch maeckt in den dans, soo veel sprongen doet hij om naar den helle te gaen') werd er natuurlijk toch gedanst. Fraai is eveneens Cees de Bondts bijdrage over tennis aan het Italiaanse hof (1450-1650), waarin hij duidelijk maakt hoe de elite zich afzet van het gepeupel door balspelregulatie en zelfs Olympische aspiraties koestert door het tennisspel te cultiveren. Naar toneel ging men ook als vroegmodern elitair. Molière zien bijvoorbeeld. Paul J. Smith schreef een bijzonder goed overzicht van diens medisch-satirische stukken en gelijksoortige fragmenten uit stukken met een ander thema. Dom Juan (1665) bijvoorbeeld, waarin een stervende braakwijn wordt toegediend en wordt getwist over de werkzaamheid van dit middel: `De man kon gedurende zes dagen niet sterven, en de braakwijn doodde hem in één keer. Een probater middel bestaat er niet.' Voorbeeldig is de reconstructie van de tuin van kasteel Heemstede bij Houten door Otto Wttewaall, op basis van beschrijvingen, plattegronden, aquarellen en lofdichten. De dichter Ad. Reets is er ook geweest: `Ik zal hier ringsom heenen treen,/ Daar de Ipenheiningen om hoog/ Als groene uuren, zijn geschooren/ 't Is met vermaak hier opgevuld.'

PS: Een afzonderlijk vermaak bij ernstige bundels als deze zijn soms de voetnoten. Voor wie even wil zoeken in de kleine lettertjes zijn kleine pareltjes op te duiken. In Dick de Boer en Karel Bostoens' bijdrage over de deelname van de Leidse elite aan de Gasthuisloterij in 1596 vond ik `backe vis betekent soms gebakken vis', ik ben dankbaar voor het gegeven `Een onderrriem is een gordelriem waaraan bijvoorbeeld een schaartje, een sleutelbos en opmaakspullen hingen. Ze had dus voor vrouwen de functie van een tasje' en schitterend vond ik bij een andere bijdrage de voetnoot `De enige mij bekende bron waarin een man met de naam Nigthengale zingt als een nachtegaal is het toneelstuk Bartholomew Fair van Ben Jonson uit 1614'.

Jan de Jongste, Juliette Roding en Boukje Thijs (red.): Vermaak van de elite in de vroegmoderne tijd.

Verloren 313 blz. ƒ45,18