`In Nabokov herken ik de treurnis om wat voorbij gaat'

Dolph Kohnstamm, emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie kreeg felle reacties op zijn uitspraken over genetische verschillen tussen bevolkingsgroepen, in een dagbladinterview.

``Mijn enige held in de literatuur is Nabokov', zegt Dolph Kohnstamm, emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie, in zijn huis in de Amsterdamse binnenstad. ``Hij heeft nog steeds invloed op mijn denken. Nabokov belichaamt voor mij de weemoed, die in zijn werk achter harde realiteit zit verstopt. Daar voel ik me aan verwant.' In zijn studententijd las Kohnstamm Pnin, een roman uit 1953. ``Het is geweldig humoristisch en tragisch tegelijk. Pnin is een Russische professor die aan een Amerikaanse universiteit zijn plaats probeert te vinden. Net als Nabokov zelf, die als Russisch emigrant, op de vlucht voor de Bolsjewieken, een enorme omzwerving had gemaakt, door heel Europa. Pnin is grappig en leuk, om de paar bladzijden schiet je in de lach. Dat is voor mij een criterium geworden: als ik in de eerste honderd bladzijden van een boek niet in de lach schiet, leg ik het weg. Nabokov is niet cynisch, niet ironisch, maar iets er tussenin. Het is altijd dubbel, nooit rechtlijnig. Later heb ik ook Lolita gelezen. Dat had mijn vader al in de kast staan, niet vanwege de literaire waarde, maar vanwege de sensatie, het erotische, taboe doorbrekende aspect.' Lolita verscheen in eerste instantie in 1955 bij de kleine Parijse uitgeverij Olympia Press. Geen Amerikaanse uitgever durfde zich te branden aan het gevoelige onderwerp van de relatie van een oudere man met een jong meisje. Toen het boek in 1958 in de VS verscheen, werd het alsnog een schandaal.

Dat Nabokov niet schroomde taboes te doorbreken, kan Kohnstamm waarderen. Zelf raakte hij recent immers ook een gevoelige snaar in de samenleving, met zijn uitspraken in de Volkskrant over genetische verschillen tussen bevolkingsgroepen. ``Eens moet er toch een tijd komen waarin we weer vrijer kunnen spreken over verschillen tussen etnische groepen – verschillen die door natuur en cultuur sámen bepaald worden, verschillen die zijn aangeboren, maar met een culturele super-structuur erbovenop. Door de berichtgeving over biogenetisch onderzoek is er de laatste tien jaar al veel veranderd. In de jaren zeventig kon je niet eens praten over erfelijke aanleg van intelligentie binnen een bepaalde bevolkingsgroep. Nu is men eraan gewend dat er over biologische verschillen gesproken wordt. Je maakt dan alleen wel een enorme sprong als je het hebt over verschillen tussen bevolkingsgroepen.' Kohnstamms uitspraken kwamen mede voort uit ergernis over het feit dat het debat over de multiculturele samenleving in de Kamer louter gevoerd wordt door sociologen en cultureel antropologen. ``Sociologen weten niks van persoonlijkheidsverschillen. Die wantrouwen ze. Ze hebben geen feeling voor de enorme verschillen waarmee mensen geboren worden, voor de grote variatie binnen een groep. Ze doen of die niet bestaat. Ze denken in sociale categorieën en in gemiddelden. Je zou ook een beleid kunnen voeren om, zoals ik voorstel, juist de intelligente leerlingen, de meest werklustigen, zoals ik ze noem, eruit te trekken.'

Werklust, inzet, doorzettingsvermogen, talent – het zijn eigenschappen waarmee Nabokov (1899-1977) vanuit het niets zijn leven weer opbouwde en vormgaf. Kohnstamm: ``Hij verloor zijn huis, zijn verleden in Rusland. Als kind van rijke ouders groeide Nabokov op op een landgoed vlakbij Sint-Petersburg. Het was er paradijselijk. Daar kwam opeens een einde aan. Later leefde hij, samen met zijn vrouw Vera, in Berlijn, in Praag, in de bitterste armoede en probeerde iets te verdienen met zijn verhalen. Uiteindelijk werd hij, dankzij die verhalen, uitgenodigd om in Amerika professor te worden, maar ook daar hadden ze het in het begin niet breed.'

Het gevoel een paradijs te verliezen is Kohnstamm niet vreemd. ``Mijn grootouders woonden op de Veluwe, middenin een bos, in een groot huis uit 1910. Het was opgetrokken uit Noors dennenhout, het hars droop er nog uit. Dat bos, dat huis uit onze kinderjaren, ons paradijs, is verdwenen, afgebrand. Net zo weg als het landgoed van Nabokov – een verdwenen verleden, waar je niet meer naar terug kan. Het was niet zo dramatisch als voor Nabokov, maar toch.'

Zijn gevoel van verwantschap komt ook voort uit zijn liefde voor Nabokovs thematiek. Vaak gaan zijn boeken over jongens of mannen die verliefd zijn op meisjes van een jaar of dertien – een thema dat Kohnstamm aanspreekt. ``Toen ik zelf dertien jaar was, heb ik ook zo'n enorme verliefdheid meegemaakt. Het heeft jaren geduurd en toen er een einde aan onze relatie kwam, heeft het me heel lang gekost om eroverheen te komen. In het werk van Nabokov herken ik de intensiteit van die beleving en de weemoed, de treurnis om wat voorbij gaat en nooit terug kan komen. Aan het begin van Lolita beschrijft de ik-persoon Humbert Humbert de ontmoeting met zijn jeugdliefde aan de Franse Rivièra, het meisje Annabel, die, net als hij, dertien jaar is. Dat is zo schitterend, je zou er zo een stuk van Mozart onder kunnen zetten. Aan het eind van dat hoofdstuk schrijft hij, in een bijzinnetje `and four months later she died of typhus in Corfu'. Hij vraagt zich af of hij pedofiel is geworden doordat hij dat meisje op z'n dertiende verloor, of dat hij daar toch al op was gericht op die leeftijd. Dat is een heel interessante vraag, ook in het algemeen. Datzelfde thema kwam ik ook tegen in Kandy van F. Springer en Dooi van Rascha Peper, boeken waar ik ook erg enthousiast over ben.'

Ook Nabokovs Speak memory bewondert Kohnstamm: ``een prachtige autobiografie, waarin Nabokov met minimale middelen en in een paar bladzijden atmosferen en stemmingen oproept, waar je niet meer van los komt. Hij beschrijft hoe hij als kind van vier plotseling inzicht kreeg in wat tijd betekent. `Initially I was unaware that time so boundless at first blush, was a prison'. De tijd als een gevangenis waar je niet uitkomt. Je kunt dingen niet ongedaan maken, hoe graag je ook zou willen dat ze zouden zijn als vroeger. Even verderop schrijft Nabokov over het ontwaken van het bewustzijn `as a series of spaced flashes, with the intervals between them gradually diminishing, until bright blocks of perception are formed, affording memory a slippery hold'.' Kohnstamm kent het fragment bijna uit zijn hoofd. ``Ik werk nu ongeveer een jaar aan plotselinge inzichten, die het kind in de kinderjaren als een bliksemschicht kunnen treffen. Eén groep is de `I am I-experience', het plotseling inslaan van het inzicht `ik ben ik'. Ik ken voorbeelden uit de literatuur van Jung, Sartre en De Beauvoir, maar ik heb natuurlijk niet de hele wereldliteratuur gelezen. Ook verzamel ik getuigenissen van `gewone' mensen, die een dergelijke ervaring hebben gehad. Nabokov schrijft over een ander soort ervaring, die van de ontdekking van de tijd, van de betekenis van het woord. Als kinderpsycholoog ben ik gefascineerd door dit soort dingen. Ik heb altijd geprobeerd studenten voor de beleving van het kind te interesseren. Maar de ontwikkelingspsychologie is een vak van rekenen geworden, vol statistische analyses, scores, vol lelijk taalgebruik en volkomen geabstraheerd van het individuele leven. Ik ben met vervroegd pensioen gegaan. Ik had heimwee naar de mooie taal van de literatuur.'

Vladimir Nabokov: Pnin. Vintage,

160 blz. ƒ32,95 (pbk). De Nederlandse vertaling van Else Hoog verscheen bij de Bezige Bij, 177 blz. ƒ39,50 (geb.)