Ik moest het goed vinden

Meer dan dertig jaar had Riekje Swart een galerie, waar ze het liefst controversiële kunst verkocht. Vorige week stopte ze. ,,Kunstenaars kunnen moeilijk uitleggen wat ze bezielt. Daarom hebben ze een galeriehouder nodig.''

`Geen bloemen', stond op de uitnodiging voor de afscheidsreceptie. Aan uiterlijk vertoon heeft galeriehoudster Riekje Swart (77) altijd een hekel gehad. Haar ruimte in de Van Breestraat in Amsterdam was zo kaal als een galerie maar kan zijn. Achter een zwartgeverfde gevel een schoenendoos van vier bij elf meter. Witte muren en tl-licht. Achter een wandje een witgelakt bureau en een paar klapstoelen. Een eenvoudige uitnodigingskaart attendeerde eens in de vier weken op een nieuwe tentoonstelling.

Bij openingen stond op een ladekast een dienblad met drank. Geen toespraken, geen poeha, de kunst stond voorop. Voor toelichtingen moest je later komen. En dan raakte de galeriehoudster niet uitgepraat. Volgens één van haar assistenten kon dat uitlopen op een oeverloos gefilosofeer. ,,Dat was in de jaren zeventig'', zegt Swart. ,,Ik schonk toen ruimschoots wijn en sherry. Daar ben ik op een gegeven moment mee gestopt. Het werd thee.''

Het aantal tentoonstellingen nam de afgelopen jaren al zienderogen af, nu stopt ze definitief. ,,Ik word te oud en te verkalkt'', zegt ze vol zelfspot. Niet met een knal maar met een plofje kwam een eind aan 37 jaar kunst verkopen, aan bijna driehonderd vaak spraakmakende exposities. Uitnodigingen voor een banket en een overzicht van alle coryfeeën uit haar stal, sloeg ze af. ,,Ik heb aandacht en waardering genoeg gehad'', zegt ze. Met een beperkt aantal kunstenaars en kunstliefhebbers sloot ze haar galerie-leven deze week feestelijk af.

Voor grote galeries is Nederland te klein, zegt Swart in haar piepkleine appartement boven de galerie. Gezeten aan een kobaltblauwe Martin Visser-tafel en omringd door kleurige kunstwerken van Carel Visser, Bert Boogaard en David Lindberg legt ze uit waarom haar reputatie groter was dan haar galerie. ,,Als je groot wil worden, moet je als Leo Castelli in New York en Paul Maenz in Keulen reputaties brengen. Mij ging het niet zozeer om grote namen, ik verkocht een mentaliteit.''

Controverse

Die mentaliteit was de controverse. Vele jaren gold Swart als een promotor van kunst die haaks stond op wat gangbaar was. Het tumult van Cobra denderde nog na toen ze in de jaren zestig naam maakte met het strenge werk van Bonies, Ad Dekkers en Peter Struycken. En naast de witte reliëfs en plastieken van deze systematisch werkende kunstenaars, presenteerde ze ook de `polyester droedels' van Ger van Elk, de `takkenbossen' van Jan Dibbets en werk van andere conceptualisten. Alleen bij Galerie Swart werden deze beide stromingen destijds zo consequent getoond. Ook verwante buitenlandse kunstenaars, als Donald Judd, Richard Lohse, François Morellet, Robert Ryman en Richard Tuttle nam ze in haar programma op. Niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten bouwde ze daardoor in korte tijd een reputatie op als avant-garde galerie.

,,Je moet natuurlijk wel een beetje geluk hebben'', zegt ze. ,,Veel kunstenaars uit mijn galerie kwamen eind jaren zestig in grote musea en op de Documenta te hangen. Dat gaf mijn kunstenaars een naam en daarom ook mijn galerie.''

Na een aantal rustige jaren wijzigde Swart eind jaren zeventig radicaal van koers. De strenge vormen begonnen haar te vervelen. Niet zozeer van het werk van haar eigen kunstenaars, als wel dat van de navolgers. Wat eens onthullend was, was een waarheid als een koe geworden. Mede geïnspireerd door Frans Haks, klant-van-het-eerste-uur en toen inmiddels directeur van het Groninger Museum, maakte ze een ommezwaai naar de op de striptekening gebaseerde wilde schilderingen van de Fransen Robert Combas en Hervé di Rosa, de Duitsers Walter Dahn en Jiri Dokoupil, en de voormalige Tsjech Milan Kunc. Geen witte plastieken en andere minimalistische kunst meer, maar rauwe schilderijen die expliciet over seks en geweld handelden. Zoals een criticus schreef: in Galerie Swart woedde een omgekeerde beeldenstorm.

Swart: ,,Het werd eind jaren zeventig een beetje tamme bedoening in de kunst. Niet iedereen begreep mijn nieuwe keuze. Maar verraad aan mijn standpunt? Nee. Ik liet niemand in de steek. Dibbets en Van Elk vertrokken naar Art & Project, dé galerie van het conceptualisme. Dekkers overleed in 1974, Bonies ging weg omdat zijn werk te groot werd voor mijn galerie en Struycken bleef nog een tijd. En de buitenlanders waren voor de Nederlandse markt eenvoudig te duur geworden. Door die ontwikkelingen kwam er ruimte in mijn programma voor een nieuwe groep kunstenaars.''

Extreme prijsstijgingen dwongen Swart een paar jaar later ook weer tot een afscheid van haar `wilde' schilders. Een schilderij van Combas of Kunc, in de Van Breestraat te koop voor een paar duizend gulden, kostte al snel een vermogen. Het lot van een galeriehouder met een goed oog en een weinig kapitaalkrachtige klantenkring? ,,Ach, ik heb ook wel vergissingen gemaakt'', zegt Swart laconiek.

De laatste periode bracht ze weer vooral jonge Nederlandse kunstenaars. De decoratieve `glitter kunst' van Bert Boogaard en Cecile van der Heiden en de cartooneske beelden van Joost van der Toorn bepaalden het gezicht van de galerie.

Penang

Pas als tiener zag Riekje Swart voor het eerst een schilderij. De kapiteinsdochter werd in 1923 geboren op Penang, een eiland voor de kust van Maleisië. In haar ouderlijk huis in Nederlands-Indië hingen aan de wand antieke Chinese borden. De familie verhuisde vaak. Alle meubelen werden dan bij opbod verkocht, maar de borden kregen altijd weer een plaats in de nieuwe behuizing. Nadat het gezin in 1934 repatrieerde, maakte zij schoorvoetend kennis met de Europese kunst. Vooral toen het gezin in de oorlog vanwege de bombardementen op Rotterdam verhuisde naar het kunstenaarsdorp Laren. Daar ontmoette zij als gymnasiaste de met haar grootouders bevriende schilder Herman Kruyder. Ze bezocht er met haar ouders tentoonstellingen van Gooise schilders en ook leerde ze de collectie van de verzamelaar Regnault kennen.

Na de oorlog ging ze rechten studeren in Amsterdam. ,,In Cinétol zag ik voor het eerst op journaalbeelden wat er met de joden was gebeurd. Opgejaagd en opgepakt, dat wisten we. Maar die beelden van uitgehongerde mensen en van de gaskamers, dat was een vreselijke schok.''

Ze las toen veel, ging naar toneel en deed haar kandidaats. Eind 1949 verbaasde ze zich over de felle kritieken op de Cobra-tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Swart: ,,Uit pure nieuwsgierigheid ging ik kijken. Ik was verbijsterd, het was of ik water zag branden. Al begreep ik het natuurlijk maar half, ik herkende het protest. Na de oorlog kon er toch maar niet door geschilderd worden of er niets gebeurd was. Ik vond gewoon dat ik het goed moest vinden.''

De mentaliteit van de toenmalige directeur van het Stedelijk, Willem Sandberg, vormde in die jaren in sterke mate haar houding ten opzichte van kunst. ,,Zijn beleid was breed, grensverleggend en anti-autoritair. Niet alleen beeldende kunst, maar ook film, fotografie, design en toegepaste kunst. En niet alleen werk dat al in de kunstgeschiedenis was bijgeschreven, maar ook hedendaagse richtingen. Steeds bracht Sandberg je weer tot de vraag: wat is kunst, en waarom? Die vragen aan de orde stellen is de belangrijkste opdracht van een modern museum. Dat probeerde ik later in mijn galerie ook: een discussie op gang brengen. Het is toch heerlijk je nieuwe waarden eigen te maken, je bevattingsvermogen op te rekken. Zoveel mensen leven in een kleine cel. Hoe meer ruimte om je heen, hoe interessanter het leven wordt. De schilderijen van Appel vond ik eerst heel lelijk, maar door Sandberg na verloop van tijd juist heel boeiend. Terwijl ik sommige schilderijen die ik toen mooi vond, conventioneel en braaf ging vinden.''

Mantelpakjes

Ze was een laatbloeier, pas op haar 41ste vond ze haar roeping. Na te zijn gezakt voor haar doctoraalexamen rechten, werkte ze vele jaren bij een bank als personeelschef. Leuk werk, keurige mantelpakjes en een goed inkomen. Maar begin jaren zestig ging het werk haar toch tegenstaan. Op aanraden van een bevriend kunstenaar werkte ze korte tijd als hulp in een galerie. Al snel besloot ze dat ze haar eigen keus wilde tonen. Zonder duidelijk omlijnd programma, maar wel vastbesloten niet de navolgers van de Cobra-richting te brengen, ging ze november 1964 van start. Ze kwam meteen in de publiciteit, want één van haar eerste exposanten, de schilder Jan van der Zee, kreeg gedurende de tentoonstelling de Groningse cultuurprijs.

Van tantièmes had ze twintigduizend gulden gespaard. De helft gebruikte ze om de expositieruimte aan de Keizersgracht op te knappen en in te richten. De ander helft was haar werkkapitaal. Dat begon fors te slinken, want de eerste maanden kochten alleen vrienden en een paar familieleden. Maar toen kwamen achter elkaar een paar beter verkopende tentoonstellingen van Dekkers en Bonies.

Swart: ,,Bezoekers werden verzamelaars. Allemaal jonge mensen. Maar ook de onvolprezen Benno Premsela, de meest gastvrije figuur die ik heb gekend. Hij moedigde zijn gasten aan mijn galerie te bezoeken. Kunstenaars genoeg, mijn eerste zorg was verzamelaars vinden – ik moest ze maken. Vaak zaten bij mij tot diep in de nacht mensen te praten. Tegenwoordig krijg je in veel galeries meteen een prijslijst in handen gedrukt. Dat bestond vroeger niet. Als galeriehouder was je voortdurend bezig het verhaal van de kunstenaar over te brengen. Voor veel kunstenaars is het moeilijk om uit te leggen wat ze bezielt. Daarom hebben ze een galeriehouder nodig.''

,,In het begin ging ik altijd om tien uur 's ochtends open, net als die paar andere galeries die je toen had in Amsterdam. Maar zo vroeg kwam er nooit iemand. Daarom deed ik de deuren pas om twee uur 's middags open. Kon ik lekker uitslapen en boodschappen doen. Benno Premsela vond dat maar niks: `Riekje, dat kan je als zakenvrouw niet doen.' Zakenvrouw? Dat vond ik wel een dik woord. Het klinkt misschien zwaar, maar ik werkte voor de kunst en de kunstenaars. Wat zakelijk inzicht betreft, mag je me niet te hoog aanschrijven. Gemiste kansen, verkeerde beslissingen, ergernissen, die waren er natuurlijk ook. Ik heb eenvoudig veel geluk gehad. Het is allemaal heel enerverend geweest en ik ben er gelukkig niet failliet aan gegaan.''

Nostalgisch terugkijken doet ze niet vaak. ,,Al pratend over mijn vroegste verleden, merk ik dat ik weemoedig word als ik denk aan de tochten met mijn vader op zijn schip over de wateren van de Indische archipel. Bij het licht van maan en sterren kon je lezen aan dek. Maar ik heb nooit de behoefte gehad om nog eens terug te gaan, zoals mijn broer en zuster. De westerse cultuur vind ik veel spannender met haar periodieke verjongingen in kunst, literatuur en muziek. Want niet alleen Sandberg heeft me in het Stedelijk veel laten beleven, ook Edy de Wilde. Meteen na zijn aantreden maakte hij een Pop Art-tentoonstelling. Met conceptuele kunst had De Wilde niet veel affiniteit. Zijn voorliefde ging uit naar Barnett Newman, Elsworth Kelly en andere grootmeesters van de Amerikaanse kunst die in Europa nog weinig bekend waren. Ook Wim Beeren heeft in het Stedelijk fantastische exposities gemaakt. Daar kan Rudi Fuchs niet aan tippen. Hij is nog niet echt op dreef. Hij koestert oude liefdes. Wéér Appel, wéér Baselitz, wéér Rainer – en dat terwijl er geen ontwikkeling in hun werk is. Niet alle museumdirecteuren hoeven als Sandberg te worden. Maar ze moeten wel begrijpen dat jonge kunst het zout in de pap is en de discussie levendig houdt. Waarom was bijvoorbeeld Sensation, de tentoonstelling met Damien Hirst en andere jonge Britten, hier niet te zien? Hadden we eindelijk weer eens kunnen praten over de vraag: is dit wel kunst?''

Schildpadden

Die laatste vraag ging Galerie Swart nimmer uit de weg. Zelfs trouwe klanten bleken niet helemaal shockproof. Schilderijen op Turkse tapijten of op röntgenfoto's, katholieke schildpadden, kunststof frutsels – in verwarring verzuchtte één van haar bezoekers eens: `Wat ben ik blij dat ik hier niet van hou.'

Braaf is oninteressant, stelt Swart. Zijn de seksfoto's van Jeff Koons dan wél interessant? ,,Jongen, wat zeur je nou. Dat is on-waar-schijn-lijk goede kunst. Die fruitmanden, dat beddengoed, die seks, en dat noemt hij `Made in heaven', hoe bedenk je het. Camp, dat is een soort humor die wij hier in de kunst toen nog niet hadden. Kijk jij op van Clinton en zijn sigaar? Amerikanen vinden dat diep zondig. Met zulke preutsheid steekt Koons geweldig de draak.''

Ze had zich als galeriehouder nog wel willen verdiepen in videokunst en fotografie. Maar het werk is haar te arbeidsintensief geworden. Ze gaat nu op haar gemak naar kunst kijken, en lekker veel lezen. ,,Frans Haks heeft mijn laatste galerie-jaren danig opgefleurd. Zijn stoutmoedige exposities in het Groninger Museum verrasten altijd, desnoods onaangenaam, maar saai was het er nooit. De schrijver Robert Musil zegt ergens: de kunstenaar is zijn tijd niet vooruit, de kunstenaar leeft in zijn eigen tijd, de anderen in die van hun ouders. Zo is het maar net.

,,Frans Haks woont nu in Amsterdam. Wie weet krijgt hij het voor elkaar met een paar sponsors hier een museum van de 21ste eeuw neer te zetten. Bijvoorbeeld tegenover het Rijksmuseum. Dan zijn we meteen een groot stuk van die modderige speelweide kwijt. Ja, dat hoop ik nog te beleven.''