Ik heb een neutrale kop

Hij is `niet alleen maar het grappige mannetje dat zo leuk een nicht kan spelen,' vindt acteur Serge-Henri Valcke. Hij speelt in de musical `Chicago' en in de nieuwe film `Somberman's Actie,' naar het boek van Campert.

De oude vriend van Somberman, ex-collega van het warenhuis waar ze werkten voordat het werd gesloten, is een enigszins eenkennige vrijgezel op een met boeken en zware meubelen volgestouwde etage in Den Haag. Hij draagt, zoals Serge-Henri Valcke hem speelt, een boekhoudersbril, een wit overhemd met stropdas en een grijs wollen vest, en loopt een beetje mank. Buiten is hij te bedeesd om gewapend te zijn tegen de verpaupering die in zijn wijk toeslaat, maar binnenshuis lijkt hij het wel naar zijn zin te hebben. Zijn leventje is als een rustig bospad, schreef Remco Campert in de novelle Somberman's Actie, die in 1985 verscheen als Boekenweekgeschenk. De dagen rijgen zich aaneen, tot de buitenwereld hem toch nog te pakken krijgt.

Serge-Henri Valcke heeft het boekje nog niet gelezen. Hij wacht, zegt hij, op de filmeditie die volgende week verschijnt, als ook de door Casper Verbrugge geregisseerde verfilming in première gaat. Voor zijn rol concentreerde hij zich liever op het script; de film is immers een geactiveerde versie waarin sommige gebeurtenissen afwijken van wat Campert schreef. Hij kijkt er zelfs van op dat zijn personage in het boekje de naam Domoor draagt, dat wist hij niet. In de film heet hij Hendrik, een neutrale naam die de man meer recht doet. Somberman, gespeeld door Dirk Roofthooft, behield zijn naam – die zegt veel over de lethargie die hem overvalt als het warenhuis zijn deuren sluit.

Thuis op de bank, in Amsterdam Oud-West, neemt Serge-Henri Valcke (53) ietwat verlegen de complimenten voor zijn fijnzinnige rol in Somberman's Actie in ontvangst. Ja, hij is blij met de reacties die hij er tot dusver op heeft gekregen. Hij heeft als kokkerellend druktemakertje in de 104 afleveringen van de comedy-serie De Vlaamse Pot een stempel gekregen, dat hij moeilijk af te schudden vindt. Met deze film hoopt hij de toneelwereld eraan te herinneren wat hij als acteur nog meer in huis heeft. Zo wordt maar al te snel vergeten dat hij jarenlang bij toneelgroep Centrum speelde. Het is, zegt hij, alsof hij nu een weg terug heeft af te leggen: ,,Dat bijvoorbeeld Het Toneel Speelt mij ziet en denkt: hé, hij is toch niet alleen maar het grappige mannetje dat zo leuk een nicht kan spelen – dat ze even een ander kijkje op mij krijgen. Ik wil er niet panisch over doen, maar ik verlang wel weer eens naar een serieuze toneelrol.''

De vriend van Somberman, op de achterflap van het Boekenweekgeschenk aangeduid als een `bescheiden dagdromer', is door Valcke opgebouwd uit een groot aantal kleine details. ,,Ik heb me afgevraagd waarom hij is zoals hij is, en vooral ook: hoe ziet hij eruit? Ik wilde niet dat men meteen zou zeggen: oja, dat is die uit De Vlaamse Pot. Dan zoek je naar andere dingen. Ik kreeg een bril die bij hem paste, en zelf had ik op de vlooienmarkt in Brussel nieuwe schoenen gekocht van iemand met een horrelvoet. Eerst was ik bang dat dat misschien te véél zou zijn, te vet aangezet, maar nee, het klopte. Ik wilde hem kwetsbaar maken. Het uiterlijk van een personage is belangrijk voor me, omdat ik heel visueel ben ingesteld. Ik observeer altijd: hoe iemand een zakdoek gebruikt of zijn handen afveegt, hoe hij gekleed is, hoe zijn gezicht zijn karakter weerspiegelt. Dat helpt, dat bepaalt ook hoe iemand loopt, hoe hij denkt over zichzelf.

,,Hij moet vechten voor zijn bestaan. Hij is verlegen, heeft geen charme, hij is onhandig. Het zou kunnen dat hij ooit verliefd is geweest op de jongeman in de film, maar als hij homoseksueel is, zit hij in elk geval nog in de kast. Ik heb die homoseksuele kant niet te bewust gebruikt, het is juist wel prettig om dat impliciet te houden. Ik krijg in films vaak lekkere close-ups; dat betekent dat de regisseur vindt dat je genoeg geeft om dat te rechtvaardigen. Daar geniet ik van. Film is intimiteit, het geeft een familiegevoel waar ik erg aan ben gehecht.''

Balletles

Serge-Henri Valcke is geboren in Ieper en tweetalig getogen in Brussel. De vraag wat hij wilde worden, beantwoordt hij met te zeggen wat hij nog altijd het liefst zou zijn: ,,Architect, ja, dat lijkt me het mooiste. Een stad rijker maken door wat je bouwt, en daardoor na je dood nog voortbestaan. Ik heb ook nog even architectuur gestudeerd, maar ik kwam daar in botsing met de pastoors omdat ik niet zo goed met religie kan omgaan – ik kan er niet in geloven.'' Hij volgde balletlessen (,,maar dat vond mijn vader geen carrière'') en ging naar de toneelschool.

Intussen bekwaamde hij zich ook in de fotografie, die hij nog steeds actief beoefent. Dezer dagen heeft hij nog een foto gemaakt voor een Parade-affiche en af en toe exposeert hij. ,,Foto's van een reis naar Cuba, laatst nog in een galerie in Brussel. Op vakantie maak ik, geloof ik, andere foto's dan anderen. Ik isoleer wat me frappeert. Ik ben al veel eerder met fotografie begonnen dan Thom Hoffman. Maar ik heb niet, zoals hij, de kloten gehad er meer mee naar buiten te treden.''

Toen hij toch voor het toneel had gekozen, speelde Valcke zijn eerste rollen in Franstalige voorstellingen. Dat hij daarna naar Nederland kwam, was toeval: in 1972 vroeg Hans Kemna hem voor de Nederlandse versie van de musical Godspell. In de jaren zeventig speelde hij afwisselend in Nederland en Vlaanderen, en tussendoor in Franse films.

,,Als ik naar Brussel rijd, denk ik: ha, ik kom thuis. En als ik dan terugga naar Amsterdam, denk ik: ha, thuis. Hier heb ik mijn leven. Ik vond het ook een vereiste mezelf zo snel mogelijk het Nederlands aan te leren. Ik vind het gruwelijk als je kunt horen dat de ene acteur uit Antwerpen komt en de andere uit Groningen – al die verschillende accenten bij elkaar, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Voor mij is de magie dan doorbroken. Buiten het toneel val ik af en toe nog wel door de mand, maar als ik speel, moet het Nederlands zijn.''

Zijn vaste verbintenis met Nederland begon toen Serge-Henri Valcke in 1979 toetrad tot toneelgroep Centrum, het toenmalige Mekka voor nieuw Nederlands toneelrepertoire. ,,Als dat vandaag zou worden heropgericht,'' zegt hij grif, ,,zou ik er onmiddellijk weer bij willen zijn. Natuurlijk waren de dingen ook wel eens minder goed, maar het gevoel dat je daar met z'n allen aan werkte... Ik vind het heel prettig om ergens een plek te hebben veroverd – dan kun je daarin groeien. En het was ook een heel hechte familie, we gingen zelfs met collega's op vakantie. Voor mij kwam daar nog bij, dat ik vaak decortjes en kostuums maakte voor de lunchpauzevoorstellingen, en ook bij de techniek zat. Ik wóónde daar zo ongeveer.''

Zijn hele salaris, zegt hij lachend, ging naar de Smoeshaan, het café van het Amsterdamse theater Bellevue waar toneelgroep Centrum zijn huis had. Maar toen het gezelschap in 1987 samen met het Publiekstheater opging in de nieuwe Toneelgroep Amsterdam, mochten er van Centrum maar drie acteurs mee. Daar was Valcke niet bij. De schok kwam pas, toen hij vervolgens auditeerde voor de musical Ik Jan Cremer; de keel werd hem dichtgesnoerd, hij kon geen woord meer uitbrengen en de danspasjes, die hij in eerdere musicals en in de theatershow Thuis best van Jasperina de Jong zo lichtvoetig had gezet, lukten hem evenmin. ,,Ik was beroofd van mijn thuisgevoel, en voor zo ver ik enige zekerheden had opgebouwd, was ik die kwijt. Ik had het gevoel dat ik weer helemaal overnieuw moest beginnen.''

Allengs belandde hij, mede door het succes van De Vlaamse Pot, in de hoek van de bekende Nederlanders. ,,Ik schaam me niet voor die serie; als ik er soms iets van terugzie, denk ik nog steeds dat het meestal aardig in elkaar zat. Maar ik wist niet wat me te wachten stond, en ook niet dat het zo lang aan me zou blijven kleven. Toen ik een paar jaar later het typetje Karel Kras in de reclame voor de Krasloterij speelde, was ik zó blij, zó gelukkig om op straat te horen roepen: hé, Karel Kras! Eindelijk even iets anders. Maar doordat het nog steeds herhaald wordt, blijft het me achtervolgen. In een tram, een bende jongetjes: hé, flikker! Dat is niet leuk, dat word je spuugzat.''

Lelijkste jurk

Ook werd hij gretig het Glamourland-circuit van première-parties en andere feestelijkheden binnengetrokken. Hij ging graag, al was het maar om collega's te zien en naar de lelijkste jurk van het feest uit te kijken. ,,De eerste paar jaar vond ik het allemaal fantastisch, maar daarna gaat het zich tegen je keren. Althans tegen mij, ik stond opeens bekend als comedy-acteur – en alles wat ik daarvóór had gedaan, telde niet meer mee. Ik heb niets tegen amusement, begrijp me goed. Integendeel. Maar het moet niet het enige zijn. En ik weet inmiddels dat ik van dat tjakka-wereldje heel ongelukkig word; ik voel me daar niet thuis.''

Sinds een jaar speelt hij avond aan avond in het Beatrix-theater in Utrecht de naïeve Amos, de bedrogen echtgenoot, in de musical Chicago. In tijd gemeten is het een kleine rol, maar hij vormt wel een wezenlijk tegenwicht, een stem uit de alledaagse wereld, in dit geheel door showbiz-technieken vertelde dans- en zangspektakel over moord en moraal. Hij zingt ook maar één onopgesmukt liedje, waarin Amos zichzelf afschildert als een man van cellofaan: niemand ziet hem, het is alsof iedereen dwars door hem heen kijkt. Valcke schept in dat nummer, in een enkele schijnwerper, een volstrekt apart wereldje. Ieder woord is raak, ieder aarzelend gebaar laat een krasje achter in de glitter van zijn omgeving, in alles gaat hij dwars in tegen de gehaaide dynamiek van de rest van de show.

,,Ik geniet van Chicago,'' zegt hij. ,,Een goeie musical is leuk, en zingen is lekker. Veel materiaal heb ik niet in handen, maar het is dankbaar geschreven. Eerst moet je het veroveren, zoals alles, maar dan merk je hoe veel ermee te doen is. Door die rol van de buitenstaander zit ik erin, en ik zit er ook níet in. Dat vind ik altijd wel een prettige situatie. Veilig.''

Hoewel hij zodoende in Nederlandse ogen in de vermaakssector verzeild raakte, werkt Serge-Henri Valcke toch nog regelmatig in Franse films. ,,Aan die Franse kant heb ik een eigen leventje. Toen ik voor de VPRO een kinderserie ging maken met Peer Mascini, moest de regisseur zich nog tegenover zijn bazen verantwoorden dat hij die man uit De Vlaamse Pot had gevraagd. Maar in Frankrijk kennen ze De Vlaamse Pot niet, daar kennen ze alleen mijn filmrollen. Ik heb een neutrale kop waar je veel kanten mee op kunt. Het is altijd leuk om te horen: hé, was jij dat óók, ik had je helemaal niet herkend! En intussen heb ik daar prachtige ervaringen opgedaan... te werken met mensen als Charles Aznavour en Charlotte Rampling en tot de ontdekking te komen dat zij net zo onzeker zijn als jij.''

Via de Franse route speelde hij in 1998 ook de belangrijke domineesrol in het filmdrama The Quarry van de Belgische cineaste Marion Hänsel. ,,Dat was goed gelukt,'' zegt hij. ,,Ik hou ervan me te concentreren op een rol, me af te zonderen en dan rustig aan het werk te gaan. Dat kon daar. Ik kwam zó gesterkt terug dat ik dacht: ik kàn het nog! En door The Quarry mocht ik een screentest doen voor Somberman's Actie.

,,Ja, ik ben nog steeds tamelijk onzeker. Misschien wordt dat ook alleen maar erger met de jaren. Je hebt meer te verliezen als je wat ouder wordt en min of meer een naampje hebt opgebouwd. Als je dertig bent, kun je je nog onbekommerd overal in storten. Als ik terugdenk aan wat ik bij Centrum allemaal heb gedaan... Je wordt ook makkelijker een prooi voor degenen die zitten te wachten tot ze je de grond in kunnen boren. Die onzekerheid groeit. Als ik nu een serieuze toneelrol zou krijgen, zou ik sterven van de zenuwen. En toch zou het fijn zijn als het weer eens gebeurde. Ik hoop het.''

Somberman's Actie gaat donderdag 20 april in première