Hoogtij voor getroubleerde genieën

De Duitse wetenschap beleefde begin twintigste eeuw een grote bloei dankzij joodse intellectuelen. Historicus Fritz Stern beschrijft de tragische dilemma's van enkele van die grote geesten uit een `gouden tijpderk'.

De twintigste eeuw had de Duitse eeuw kunnen zijn, maar werd uiteindelijk die van de Verenigde Staten. Het had ook anders kunnen lopen. Voor 1914 beleefde het Wilhelminische Duitsland een periode van enorme industriële en wetenschappelijke bloei. In tegenstelling tot het eerste gouden tijdperk rond 1800, toen de Duitse `Dichter und Denker' als Kant, Goethe en Schiller de toon zetten, waren rond 1900 de natuurwetenschappers de nieuwe helden.

In deze `second Age of Genius' konden onderzoeksinstituten als het befaamde Kaiser Wilhelm Institut in Berlijn profiteren van de steun van de industrie, de banken en van keizer Wilhelm II, die behalve de romantiek ook de technologische vooruitgang omarmde. De chemici en fysici waren de motor van de snelle industriële modernisering en het militaire machtsvertoon waarmee Duitsland de wereld imponeerde. Zij deden ook belangrijke biomedische uitvindingen ter bestrijding van ziektes als tuberculose, syfilis en kanker. In deze wetenschappelijke triomfen speelden Duits-joodse geleerden zoals Albert Einstein, de chemicus en Nobelprijs-winnaar Fritz Haber en Paul Ehrlich, de uitvinder van de chemotherapie, een prominente rol, maar ook niet-joden als de fysicus Max Planck. Fritz Stern, emeritus-hoogleraar van de Columbia University en auteur van een aantal standaardwerken over Duitsland, schildert in Einstein's German World de levens van deze geleerden en ook die van joodse politici als Walther Rathenau en Chaim Weizmann.

Stern besteedt niet alleen aandacht aan de eclatante successen van deze beroemdheden, maar ook aan de hoge tol die zij daarvoor moesten betalen: mislukte huwelijken, gezondheidsproblemen, zelfs zelfmoord. Hij is hoofdzakelijk geïnteresseerd in de niet-wetenschappelijke aspecten van hun leven en werk. Afgezien van een paar algemene essays gaat zijn boek vooral over de gecompliceerde Duits-joodse symbiose. Van Daniel Goldhagens these, ontvouwd in Hitler's Willing Executioners, dat het Duitse volk behept zou zijn met `eliminatie-antisemitisme', moet Stern, terecht, niets hebben. In een in deze studie opgenomen vernietigende recensie noemt hij Goldhagens boek ahistorisch en stelt hij dat de auteur niets begrepen heeft van de complexiteit van het menselijk gedrag en van het proces van historische veranderingen. Precies wat in Goldhagens bestseller ontbreekt, namelijk een oog voor de ingewikkelde motieven van het individu, is in Einstein's German World in ruime mate terug te vinden.

Weerstanden

De joodse geleerden en politici waren allen diep geworteld in de Duitse klassieke cultuur. Tegelijkertijd waren zij verbonden met de joodse tradities die de kwetsbaarheid van hun positie als Duitse jood markeerden. Zij leefden tussen twee werelden, het geseculariseerde jodendom en het Duits-zijn, tussen eigenheid en assimilatie. Hoewel zij het mikpunt van antisemitische vooroordelen waren, vormden volgens Stern juist deze weerstanden de prikkel tot hun grote doorzettingsvermogen en successen. Voor de tegenslagen in hun privé-leven bood de wetenschap niet zelden een vorm van troost en pseudo-religie.

Wat deze studie zo boeiend maakt, zijn niet alleen Sterns eruditie, zijnstilistische precisie en gevoel voor persoonlijke lotgevallen. Het is vooral het vermogen van de auteur om zich in te leven in de wereld van deze Duitse joden, die wetenschap zagen als de motor van vooruitgang en emancipatie. Dat Sterns ouders bevriend waren met Fritz Haber, eveneens afkomstig uit Breslau en dat deze zijn peetvader was, is in dit verband niet onbelangrijk. Autobiografie en biografie lopen mede hierdoor soms wel hinderlijk door elkaar. Ook de bewondering die Stern voor zijn hoofdpersonen koestert, komt daardoor weinig kritisch over.

Het langste hoofdstuk gaat over de hechte vriendschap tussen Einstein en Haber en is dankzij nieuw bronnenmateriaal een interessant dubbelportret geworden. Ondanks grote verschillen in achtergrond, karakter en ambities en alle turbulente politieke gebeurtenissen, bleven zij vrienden, vanaf hun eerste ontmoeting in 1911 op een congres in Karlsruhe tot aan de dood van Haber in 1934. Haber werd voortgedreven door een groot plichtsbesef om de Duitse staat te dienen. Hij bekeerde zich in 1892 tot het christendom, volgens Stern een daad van `stille secularisatie' en van opportunisme. Haber was een vurig patriot en een overmoeibare organisator die grote bewondering koesterde voor de Pruisische waarden. Als directeur van het Kaiser Wilhelm Institut voor fysische chemie en electrochemie wist hij in 1914 Einstein naar Berlijn te halen. Einstein, geboren in de periferie van het keizerrijk en opgegroeid in München, Italië en Zwitserland, was het voorbeeld van een absolute Einzelgänger, een rebelse `zigeuner', een theoreticus pur sang die bezeten was van zijn wetenschappelijke werk en die zich, zonder religieus te zijn, compleet stortte in de contemplatie van Gods natuur. Het jaar 1905 werd Einsteins `annus mirabilis': als eenvoudige kantoorklerk op een patentenbureau in Bern publiceerde hij op 26-jarige leeftijd vier baanbrekende artikelen die de basis legden voor zijn latere relativiteitstheorie.

Zionisme

De volstrekt onafhankelijk en kritisch denkende Einstein moest niets hebben van religie, van vormen van `nationalisme à la prussienne', of van agressief imperialisme. Ook het fanatieke zionisme wees hij af. Zijn inspanningen waren gericht op verzoening en vrede. Toen in 1914 de oorlog uitbrak, gingen de wegen van Haber en Einstein dan ook uiteen, maar hun vriendschap bleef. De laatste waarschuwde dat de `gehele veelgeprezen technologische vooruitgang vergeleken kon worden met een bijl in de handen van een pathologische crimineel, terwijl zijn vriend uitgerekend degene was die de productie van dodelijk gifgas mogelijk maakte. Haber ondertekende samen met Paul Ehrlich en Max Planck het `Manifest van 93', waarin de verantwoordelijkheid van Duitsland voor het uitbreken van de oorlog werd ontkend.

Het oorlogsenthousiasme in augustus 1914 ging aan Einstein volledig voorbij: hij trok zich terug om zijn theorie te vervolmaken. Als Zwitserse internationalist en antimilitarist was hij vanaf het begin een fel tegenstander van de oorlog, terwijl Haber werd meegesleurd door kritiekloos patriottisme en de belangrijkste wetenschappelijke organisator van de Duitse oorlogvoering werd. Walter Rathenau, zoon van de oprichter van de AEG, deed dat in 1914/1915 voor de Duitse industrie. Het is pijnlijk om te bedenken dat Duitsland de oorlog kon blijven voeren juist door de inzet van mensen als Haber en Rathena. Zonder hun organisatietalent zou de strijd voor het keizerrijk veel eerder zijn afgelopen. Rathenau organiseerde de toevoer van grondstoffen waardoor de efficiëntie van de oorlogvoering werd vergroot en Haber zorgde er voor dat zijn uitvinding van de synthese van ammoniak dankzij het Haber-Bosch-proces op grote schaal toegepast kon worden. Hierdoor kon de productie van munitie en kunstmest op peil blijven.

Het einde van de oorlog in 1918 was voor Einstein een bevrijding en voor Haber een diepe teleurstelling. Toen Einstein in 1920 door antisemieten werd aangevallen - zijn wereldfaam wekte bij velen jaloezie - werd hij door Haber met grote moeite overgehaald om in Duitsland te blijven. Hoe moeilijk de naoorlogse situatie in Duitsland was, bleek uit het lot van Rathenau. Die werd na de militaire nederlaag en de oprichting van de Weimar-republiek een gemakkelijke schietschijf. Hij bezat door zijn ongrijpbare en rusteloze natuur het ongemakkelijke vermogen om zich bij velen ongeliefd te maken, zowel bij rechts die aan zijn loyaliteit aan het vaderland twijfelde als bij links die zijn kapitalisme en rijkdom wantrouwde. Hij was een ondernemer die de wildgroei van het kapitalisme aan banden wilde leggen door een een meer humane en sociale politiek, een filosoof die ervan uitging dat de wereld van de geest de materiële realiteit kon veranderen. Hij was een politicus die zich druk maakte om het gebrek aan leiderschap en talenten in de Duitse burgerij.

Verzoening

Rathenau's politieke carrière na de oorlog begon pas als lid van de Duitse delegatie naar de conferentie in Spa waar de Duitse herstelbetalingen werden besproken. Met zijn politiek wilde hij een geallieerde bezetting van het Rijnland en separatisme voorkomen. In januari 1922 werd Rathenau, tegen het advies van Einstein in, zelfs minister van Buitenlandse Zaken, in een tijd van diepe crisis die veroorzaakt was door hyperinflatie en politieke verdeeldheid. Toch wilde hij verzoening met Frankrijk; tegelijkertijd trachtte hij samenwerking met het westen af te dwingen door in april 1922 het geïmproviseerde vriendschapsverdrag met de Sovjet-Unie in Rapallo af te sluiten. Zijn Erfüllungspolitik werd door de antidemocratische oppositie radicaal verworpen. Zijn leven liep hierdoor gevaar. Rathenau wilde als jood en als Duitser volledig geaccepteerd worden, schrijft Stern, en deze onmogelijkheid werd zijn dood. Op 24 juni 1922 werd hij vermoord door vijf jonge rechts-radicale oorlogsveteranen.

Wat Stern over Rathenau opmerkt - hij was de verkeerde man op de verkeerde plaats en in de verkeerde tijd - gaat in zekere zin ook op voor de anderen. Veel van hun ideeën waren te vroeg ontwikkeld, werden misbruikt of waren domweg onrealiseerbaar door de politieke omstandigheden. Hun leven eindigde in een diepe tragedie. Planck moest om zijn instituut te redden diep voor de nazi's buigen, Rathenau werd minister op het moment dat verzoening met Frankrijk schier onmogelijk was en werd vermoord. Haber moest in 1933 ontslag nemen bij zijn instituut ondanks alle grote verdiensten die hij onmiskenbaar voor Duitsland had gehad. Alleen de geniale individualist Einstein, wiens werk op de brandstapel van Goebbels terecht kwam, vertrok naar Amerika. Zijn emigratie zorgde er mede voor dat de twintigste eeuw niet de eeuw van Duitsland, maar die van de VS werd. Die begon toen nazi-Duitsland in 1945 volledig was verslagen. In de 21ste eeuw krijgt Duitsland volgens Stern een tweede kans. Wie nu in Berlijn rondloopt, weet dat hij gelijk heeft.

Fritz Stern: Einstein's German World. Princeton University Press, 335 blz. ƒ63,60