Hoeren, burgers en buitenlui

Van de Amerikaan John Kennedy Toole verscheen in 1980 een komisch meesterwerk, dat in de Nederlandse vertaling veel van zijn brille verloor. Nu is er een nieuwe vertaling, die de burleske avonturen van Toole's personages wel recht doet. Een wervelend Mardi Gras in taal.

Een kapitein met een obsessie voor een witte walvis, een luchtmachtpiloot die probeert te ontkomen aan de luchtmacht, een New-Yorkse yuppie met een geheim leven als seriemoordenaar – de Amerikaanse literatuur wemelt van de krankzinnigen en halve garen. Maar geen romanheld neemt zulke absurde proporties aan als Ignatius J. Reilly, de moddervette en pompeus pratende moraalridder uit de moderne klassieker A Confederacy of Dunces, die nu voor een tweede keer in het Nederlands is vertaald als Een samenzwering van idioten.

Ignatius Reilly is een nachtmerrie voor zijn omgeving, maar de droom van iedere liefhebber van literaire komedie. Vanuit zijn onbeschrijflijk smerige slaapkamer in een achterbuurt van New Orleans vult hij blocnote na blocnote met polemieken tegen de moderne tijd, die sinds de Middeleeuwen zou worden gedomineerd door `de goden van Chaos, Waanzin en Slechte Smaak.' Totdat de aartsluie dertiger door zijn overheersende moeder gedwongen wordt om werk te zoeken en een spoor van vernieling trekt door alle lagen van de bevolking van de stad die zo ironisch de bijnaam `The Big Easy' draagt.

De onuitstaanbare Reilly, het zelfverklaarde `wrekende zwaard van goede smaak en fatsoen', is het soort romanfiguur dat voorbestemd is om zijn schepper te overleven. In dit geval was dat al gebeurd toen hij precies twintig jaar geleden de Amerikaanse literatuur binnenwalste. John Kennedy Toole, de auteur van Een samenzwering van idioten, had in 1969 op 31-jarige leeftijd zelfmoord gepleegd nadat zijn schelmenroman door vele uitgevers geweigerd was. Het was zijn moeder Thelma die er jaren later in slaagde het manuscript op voorspraak van haar beroemde literaire stadgenoot Walker Percy te laten verschijnen bij een kleine universiteitsuitgeverij in Louisiana. Ook zij had toen al acht afwijzingen op zak. Een samenzwering van idioten zou uitgroeien tot een succès fou: het kreeg laaiend enthousiaste kritieken, won de Pulitzer Prize in 1981 (vóór het eveneens genomineerde The Second Coming van Walker Percy), verscheen in achttien talen en werd meer dan anderhalf miljoen keer verkocht. Een ironische uitkomst, want in de slotpassage van de roman graait Ignatius Reilly bij zijn vlucht uit het ouderlijk huis zijn aantekeningen en notities mee, onder het motto: `Die mogen we niet in handen van mijn moeder laten vallen. Ze zou er een vermogen aan kunnen verdienen.'

Het verhaal van John Kennedy Toole (het gefnuikte genie! de volhardende moeder! het postume succes!) was bijna te mooi om waar te zijn. Toen de Samenzwering zijn eerste prijs won, waren er dan ook lezers die een mystificatie vermoedden. Want was het niet erg toevallig dat deze rijpe New Orleans-roman vol platpratende excentrieken was ontdekt en ingeleid door Walker Percy, een taalkundige aan de (Ignatius de) Loyola-universiteit die zelf naam had gemaakt met komische romans over geschifte Zuiderlingen?

Helemaal toevallig was het natuurlijk niet; Percy (1916-1990) zal als geen ander ontvankelijk zijn geweest voor de couleur locale en het vuurwerk van spreektaal en grappen in de roman. Maar de enkele literaire speurneus die naar Louisiana afreisde, moest concluderen dat Toole wel degelijk bestaan had. Zijn moeder (die in 1984 zou overlijden) gaf interviews en vertelde over de wanhopige pogingen van John om zijn boek gepubliceerd te krijgen; zijn voormalige school- en universiteitsgenoten herinnerden zich een briljante maar enigszins wereldvreemde jongen; collega's aan de University of Southwestern Louisiana, waar Toole Engels doceerde, schetsten het beeld van een paranoïde man die net als zijn romanheld bij zijn moeder in huis woonde en gisten naar de reden voor zijn zelfvergassing, eind maart 1969 in een auto aan de oever van de Mississippi. Bovendien bleek dat Toole op zestienjarige leeftijd een coming-of-age-roman had ingestuurd voor een literaire prijsvraag; het simpel maar effectief gestileerde boek over een jongetje op het benepen zuidelijke platteland werd in de nalatenschap teruggevonden, verscheen in 1990 als The Neon Bible, en werd vijf jaar later door Terence Davies verfilmd met Gena Rowlands in een van de hoofdrollen.

Ook de Samenzwering is een jeugdwerk, geschreven in het begin van de jaren zestig, toen Toole zijn militaire dienst vervulde op een Portoricaanse basis. Wie het boek nu glim- of schaterlachend leest, in het Amerikaans of in de nieuwe vertaling van Paul Syrier, constateert dat het op een handvol verwijzingen na niet gedateerd is. Maar dat neemt niet weg dat het overduidelijk de sfeer van de jaren zestig uitstraalt. Ignatius Reilly is de ultieme non-conformist, die net als de helden van tegelijkertijd geschreven romans als Mother Night (Kurt Vonnegut, 1961) en One Flew over the Cuckoo's Nest (Ken Kesey, 1962) een gedoemde strijd voert tegen Het Systeem. Typerend is zijn uitspraak over zijn vriendin Myrna Minkoff, de enige persoon die even radicaal en subversief is als Ignatius zelf: `Op zekere dag zullen de autoriteiten van onze samenleving haar zonder twijfel aanhouden vanwege het feit dat ze gewoon zichzelf is.' En: `Iedere inrichting in dit land zit vol arme donders die gewoon een hekel hebben aan lanoline, cellofaan, plastic, televisie en denken in categorieën.' Als de Samenzwering verschenen was toen het in 1963 op de burelen van Simon & Schuster terechtkwam, had het in de jaren van Vietnam- en Burgerrechtendemonstraties net zo'n cultboek kunnen worden als Joseph Hellers Catch-22.

Een satire is de Samenzwering wel genoemd; alleen al omdat het motto van het boek – `Als er een waar genie opstaat, kun je er zeker van zijn dat alle idioten ter wereld tegen hem samenzweren' – afkomstig is van de aartssatiricus Jonathan Swift. En inderdaad, bij monde van Ignatius Reilly wordt de moderne wereld de oren gewassen. Als Ignatius de deur van zijn kamer op een kier zet, opent hij `een doos van Pandora'. Televisie en diepvriesvoedsel hebben de breinen van zijn medeburgers verwekelijkt. Blikvoedsel is een perversie en brengt de ziel schade toe. Scarlatti was `de laatste musicus die men nog zo mag noemen'. `Psychiatrie is erger dan communisme'. En onvermijdelijk stuit hij op onbeschofte jongeren, oliedomme academici, geëngageerde intellectuelen, paranoïde communisten, incapabele gemeenteambtenaren, dictatoriale werkgevers, en natuurlijk zijn `zedeloze' moeder.

Slechts voor homo's en zwarten brengt Ignatius een beetje geduld op – omdat ze als subversieve elementen bruikbaar zijn in de strijd tegen de burgerlijke samenleving. Zo begint hij een Kruistocht voor Moorse Waardigheid onder de zwarte arbeiders van de broekenfabriek waar hij komt te werken, en hoopt hij de wereldvrede dichterbij te brengen door de homogemeenschap van New Orleans te laten infiltreren in de politiek en de strijdkrachten. Maar ook zij moeten het ontgelden als ze zich niet voor zijn karretje laten spannen.

Ignatius' tirades maken niet alleen duidelijk hoe ver hij voor het tijdperk van de politieke correctheid leefde, maar ook hoe ongericht zijn woede (en daarmee de satire in de roman) is; hoeveel consequentie kun je verwachten van een man die de zesde-eeuwse filosoof Boëthius als lichtend voorbeeld ziet, maar verslaafd is aan hotdogs en pulpmusicals? Veel meer dan een satire is de Samenzwering dan ook een zedenkomedie. Het zijn de verschillende bevolkingsgroepen van New Orleans die op een hilarische manier te kijk worden gezet door de parade van hoeren, burgers en buitenlui die aan Ignatius voorbijtrekt. Tooles plot, die wemelt van de toevallige ontmoetingen en slim in elkaar grijpende verhaallijnen, is erop gericht om al die prototypische Orleanians op elkaar te laten botsen. Het resultaat is een portret van de stad die geen Mardi Gras – de carnavalsdagen – nodig heeft om de wereld op zijn kop te zetten.

De gemiddelde komedieschrijver slaagt erin om één of twee personages komisch uit de verf te laten komen; Toole heeft er een dozijn geschilderd. De voortdurend met zijn maagklep worstelende Ignatius zelf natuurlijk, maar ook zijn sloverige moeder, een telefoon- en wijnverslaafde volksvrouw die wanhopige pogingen doet van lager wal af te blijven. Er is de vernederde agent Mancuso, die de ene blunder na de andere maakt en door zijn superieur wordt gedwongen om elke dag in een andere uitzinnige vermomming door de stad te patrouilleren. Er is de playboy-op-leeftijd Gus Levy, die zich nauwelijks bekommert om de broekenfabriek die hij van zijn tirannieke vader heeft geërfd; en zijn verveelde echtgenote (`Mevrouw Levy was een vrouw met interesses en idealen') die zich, na jaren van bloemschikken en macrameeën, gewapend met een schriftelijke cursus psychologie in het personeelsbeleid van Levy Pants mengt. En wat te denken van de verliefde communistenvreter Claude Robichaux, een trafo met de naam Dorian Greene, of een stripteaseuse die als `Harlett O'Horror' een Gone with the Wind-achtig nummer met een schurftige papegaai instudeert?

De memorabelste bijfiguur in Een samenzwering van idioten is ongetwijfeld Burma Jones, de cynische zwarte die aan het begin van het boek door de politie ten onrechte wordt opgepakt, te werk wordt gesteld in de nachtclub Night of Joy, en als geestverwant van Ignatius heroïsche pogingen doet om de burgermaatschappij te saboteren. Net als de andere personages krijgt de door een zonnebril en een wolk sigarettenrook aan verdere beschrijving onttrokken Jones in de eerste plaats karakter door de manier waarop hij praat. `Well, I gonna tell that police I gainfully employ,' zegt hij in zijn zuidelijke variant van het Black English. `And he say, ``Now maybe you be becomin a member of the community.' And I say, ``Yeah, I got me a nigger job and nigger pay. Now I really a member of the community. Now I a real nigger. No vagran. Just nigger.' Whoa!' In de vertaling van Paul Syrier wordt dat: `Goed, ik vertel die smeris dat ik een baantje heb (–) En dan zegt hij: ``Nou word je misschien een goed lid van de samenleving.' En dan zeg ik: ``Ja, ik heb een nikkerbaantje voor een nikkerloontje gevonden. Nou ben ik echt een lid van de samenleving. Nou ben ik een echte nikker. Geen landloper. Gewoon een nikker. Nou!'

Het bovenstaande geeft al aan met wat voor problemen een vertaler van de Samenzwering te maken maken krijgt, en vooral hoeveel er verloren gaat. De eerste Nederlandse vertaling van de Samenzwering, begin jaren tachtig, is dan ook de geschiedenis ingegaan als een mislukking. Toole's verschillende dia- en sociolecten – de linguïst Walker Percy ontdekte er ten minste acht – kunnen in het Nederlands niet echt benaderd worden, ook al doordat er in de Nederlandse literatuur niet echt een traditie bestaat van schrijven in spreektaal (wie is of wordt de Hollandse Mark Twain?). De vertaler die in Jones' geval zou kiezen voor Surinaams-Nederlands zou misschien nog ver komen, maar hij zou gepokt en gemazeld moeten zijn in de zwarte cultuur, en onherroepelijk in de knoop komen met de stadstaal van sommige andere van Toole's personages die soms heel dicht tegen het zwarte Engels aanligt. Plat Amsterdams is onbruikbaar; New Orleans heeft nu eenmaal een veel verder ontwikkelde mengcultuur (Frans, Creools, Amerikaans, Caraïbisch) dan Amsterdam na amper een halve eeuw Turkse, Marokkaanse en Surinaamse immigratie.

Hoe jammer ook, het valt te begrijpen dat Paul Syrier, die eerder twee delen van John Dos Passos' hondsmoeilijke USA-trilogie vertaalde, ervoor heeft gekozen om de spreektaal in de Samenzwering min of meer neutraal te vertalen. De dialogen verliezen erdoor aan tempo, maar dat is even onvermijdelijk als het verdwijnen van een aantal woordspelingen. Daar staan goede vondsten tegenover. `A chronic tosspa' heet bij Syrier een `chronische nathals'; moeder Reilly's klacht `I'd wrench my back' verandert geheel in stijl in `Ik zou mijn hurken nog verstuiken'; en Jones' verwijzing naar de moderne slavenpraktijken van zijn werkgeefster (`She kinda buyin me off a auction block') wordt `Ze heeft me meer uit de ramsj gevist'. Zolang het bij proza, anders dan bij poëzie, niet gebruikelijk is om met tweetalige uitgaven te werken, moet de conclusie luiden dat je net zo goed het een en ander mist als je met gebrekkige kennis van de zuidelijk-Amerikaanse spreektaal aan het origineel begint.

Toole's virtuoze gebruik van slang, jive talk en komisch-hoogdravende Reilly-taal is een van de belangrijkste literaire kwaliteiten van de Samenzwering. Zeker, het boek is briljant geconstrueerd en het bulkt van de mooie zinnen, de running gags en de gekke metaforen (`met de witte kiel over zijn jas zag Ignatius eruit als een dinosaurusei dat op het punt van uitkomen stond'). En ja, de korte en langere `flitsen' uit de levens van de personages zijn zo goed gemonteerd dat het een wonder is dat er nooit een film naar het boek is gemaakt.*) Maar het is de spreektaal die de Samenzwering doet sprankelen en tot een even levendige ervaring maakt als een bezoek aan The Big Easy zelf.

Toole's grote voorbeeld moet zijn collega-Zuiderling Mark Twain zijn; aan de humor en de natuurlijk klinkende monologen van Huckleberry Finn moet hij zich gespiegeld hebben. Het is dan ook een aardig detail dat Toole Ignatius verschillende keren laat foeteren tegen `die slaapverwekkende oplichter' die de `verraderlijke en sinistere' (en hopeloos vervuilde) Mississippi romantiseerde en zo het symbool is geworden van de `mislukte poging contact met de werkelijkheid te leggen' die kenmerkend is voor de Amerikaanse kunst. Of, zoals Toole's antiheld het uitdrukt: `De verering van Mark Twain is een van de wortels van de huidige intellectuele impasse.'

Net als het beste werk van Mark Twain is de Samenzwering pure komedie. Dat is ook precies de reden waarom in de afgelopen twintig jaar toch nog een handvol criticasters bezwaar heeft gemaakt tegen alle lof die Toole postuum ten deel is gevallen. De Samenzwering zou te weinig `diepgang' hebben en te veel op de lach geschreven zijn. Dat laatste is niet te ontkennen; wie niet om de paar bladzijden grinnikt en in de lach schiet bij de slapstick-achtige scènes met Ignatius als hotdogverkoper of nachtclubbezoeker, is rijp voor een reality soap met Droogstoppel en Dorknoper. En hoewel je de Samenzwering best kunt lezen als een felle aanklacht tegen de geïnstitutionaliseerde onderdrukking van het individu, is dat eigenlijk beside the point. Het zijn niet alleen tragiek en diepere betekenis die een meesterwerk maken. Soms heb je aan humor en spetterende taal genoeg.

*) Aan de producers in Hollywood heeft het niet gelegen, maar zij hadden de pech – en de lezers het geluk – dat de volumineuze acteurs die ooit voor de hoofdrol werden gevraagd (Victor Buono, John Belushi en John Candy) nog vóór de eerste opnamen kwamen te overlijden.