Hoe kun je weten wat echt is?

Kunstmensen maken mag niet in de joods-christelijke traditie. De laatste film die Stanley Kubrick wilde maken, en die Steven Spielberg nu voltooit, gaat over een door een mens gemaakte mens die geen monster is.

Het was een maand geleden groot nieuws en dat is het nog steeds: het laatste project waar de vorig jaar overleden Stanley Kubrick aan heeft gewerkt, zal toch een film worden. De nieuwe regisseur van de film, waar Kubrick af en aan achttien jaar mee bezig is geweest, is Steven Spielberg. Kubrick en Spielberg. Het is een combinatie waarover het moeizaam speculeren is. Wat zal het werk van deze twee zo verschillende genieën opleveren? Barry Lyndon meets Indiana Jones. Dr. Strangelove meets Oskar Schindler. Hal meets E.T. Die laatste ontmoeting snijdt nog het meeste hout, want de nieuwe film wordt science fiction. Volgens een persbericht van Warner Brothers zal Spielberg aan de visie van Kubrick vooral zijn menselijkheid toevoegen.

De twee Amerikaanse regisseurs zullen in het oordeel van velen weinig met elkaar te maken hebben. Kubrick staat te boek als een cerebraal kunstenaar, Spielberg als een sentimentele populist. Maar ze bewonderden elkaar wel. Net als Billy Wilder had Kubrick graag Schindler's List gemaakt en hij was dol op E.T, The Extra-Terrestial.

Volgens Warner Brothers heeft Kubrick vlak voor zijn dood nog gezegd dat de Spielberg de ideale regisseur van het project was. Die opmerking verbergt iets treurigs. Goede science fiction is duur, zeker als hij door Kubrick wordt gemaakt, en de films van Spielberg brengen aan de kassa nu eenmaal meer op dan die van Kubrick. Misschien was de film wel nooit gemaakt als Kubrick langer had geleefd.

De film van Spielberg wordt volgend jaar in de bioscopen verwacht, in 2001 dus, het jaar waarin Kubricks vorige science fiction film zich afspeelde. De nieuwe film heet A.I. of AI, wat met of zonder puntjes de afkorting is van Artificial Intelligence. In 2001: A Space Odyssey, Kubricks science fiction mijlpaal uit 1968, speelt een kunstmatige intelligentie al een grote rol. Hal (een merkwaardige afkorting van Heuristically Programmed Algorithmic Computer - volgens sommigen is het een zinspeling op IBM, de drie letters die in het alfabet op h, a en l volgen) bestuurt het ruimteschip waarmee een menselijke bemanning in 2001 naar Jupiter reist. Van alle personages in de film is de computer verreweg de interessantste, de meest menselijke zou je bijna zeggen. De astronauten zijn alleen maar braaf. Hal is met zijn vileine gesar en zijn slepende stem een verademing. Volgens de Amerikaanse filmcritica Pauline Kael gedraagt hij zich als een afgewezen homoseksuele minnaar.

Hal is een computer waarvan, of van wie, dat is nu juist de vraag, je op z'n minst kunt vermoeden dat hij een bewustzijn heeft. Hal zou met gemak de Turingtest doorstaan. In deze test, in 1950 bedacht door de Engelse computerkundige Alan Turing, moet iemand vragen stellen aan een computer. Als hij niet kan vaststellen of zijn vragen door een mens of door een machine worden beantwoord, kan de computer menselijke intelligentie worden toegedicht. In de jaarlijkse Turingtest-wedstrijd is dat tot nu toe nog geen computer gelukt. Hal zou iedereen makkelijk kunnen foppen. Voorwaarde is wel, dat je hem niet kunt zien. Hal lijkt niet op een mens. Misschien is dat de reden waarom Hal in de science fiction-film een eenling is gebleven. Er zijn weinig films waarin een computer die eruit ziet als een computer de hoofdrol speelt.

A.I. gaat over iets dat wel al in een heleboel films aan de orde is gekomen: een door een mens gemaakte mens. De film is gebaseerd op een kort verhaal uit 1969 van de Engelse science fiction schrijver Brian Aldiss, Super-Toys Last All Summer Long, waarvan Kubrick kort na verschijning de rechten kocht. Spielberg kocht de rechten op het nog niet gepubliceerde vervolg op dit verhaal, dat Aldiss onlangs schreef. Het verhaal uit `69 gaat over David, een jongetje dat beseft dat zijn moeder niet van hem houdt, maar niet begrijpt waarom niet. David praat erover met zijn beer Teddy en schrijft zijn moeder brieven die hij maar niet tot een goed einde weet te brengen. `Mummy, I love you and daddy and the sun is shining'. `Dear Mummy, you're really my Mummy.' Aan het eind van het verhaal blijkt niet alleen Teddy, maar ook David een machine te zijn.

Het Filmfestival van Berlijn organiseerde dit jaar onder de titel Künstliche Menschen, manische Machinen, kontrolierte Körper een retrospectief op films over robots, androïden, cyborgs, humanoïden, cybernauten, klonen, daleks, replicanten, robocops en terminators. In het dikke boek dat bij het retrospectief verscheen, worden meer dan 250 films behandeld, van Alien tot Zero Population Growth, van Coppélia ou la Poupée Animée uit 1900 tot The Matrix uit 1999. Een eeuw menselijke machines en kunstmatige mensen, van Amerikaanse beroemdheden als het monster van Frankenstein en C-3PO tot Russische onbekenden als de Edisonvrouw en RB 235, passeert de revue. Achterin het boek zijn biografieën opgenomen van ongelijke grootheden als Robby, de op de drie robotwetten van Isaac Asimov gebaseerde mensenvriend, en Gog, hulpje van Satan uit de Openbaringen van Johannes.

Künstliche Menschen begint met een artikel van de Duitse schrijver Heinrich von Kleist uit het Berliner Abendblatt van 12 december 1810. De film was toen nog niet uitgevonden, maar de samenstellers van het retrospectief zien hun onderwerp breed. In het artikel spreekt Kleist met een balletdanser, die marionetten mooier vindt dansen dan mensen. Ze zijn niet koket, ze doen hun best niet, ze weten niet dat ze dansen; ze vallen volledig samen met de bewegingen die ze maken. Volgens de balletdanser kan de hoogste gratie bereikt worden door iemand die helemaal geen of juist een oneindig bewustzijn heeft, ,,dat wil zeggen door een ledepop of door God''. Mensen kunnen het niet meer sinds ze van de boom der kennis hebben gegeten. De redenering roept uitspraken in herinnering van mensen die beweren dat ze op hun best zijn als ze niet meer nadenken. Dansers, inderdaad, of tennissers en voetballers. Mensen die over geluk vertellen, zeggen het soms ook. Ze waren gelukkig omdat ze zichzelf vergaten. David uit Super-Toys is misschien een tragische figuur omdat hij maar een half bewustzijn heeft; net als veel andere androïden zit hij ergens tussen ledepop en mens in. Hij heeft de appel in zijn mond, maar hij kan hem niet doorslikken.

De schoonheid van de mechanische, onbewuste beweging is in weinig films over robots en aanverwanten zo zuiver bezongen als door Kleist. Alleen in de avant-garde kunst van de jaren tien en twintig is het een ideaal geweest, dat zelfs mensen in hun greep kreeg. In de balletten van Oskar Schlemmer proberen dansers net zo houterig als dingen te bewegen. Maar het ideaal van onbewuste beweging bestaat misschien nog steeds. Het is alleen van vorm veranderd, sinds mensen hebben bedacht dat robots niet houterig hoeven te bewegen. T-1000, de nieuwe terminator uit Terminator 2 (James Cameron, 1984) heeft geen scharnieren meer; hij bestaat uit metaal dat in elke vorm kan vloeien.

De mens zonder bewustzijn, de ledenpop, komt in moderne vorm weer terug in de droom van de virtuele acteur. Er bestaan al virtuele fotomodellen met de allerideaalste maten en een film met virtuele acteurs schijnt niet ver weg meer te zijn. Kubrick heeft lang met het idee gespeeld om de androïde in A.I. door zo'n virtuele acteur te laten spelen. Hij liet daartoe de makers van de special effects van Jurassic Park, Spielbergs film over dinosaurussen, begin jaren negentig een aantal ontwerpen maken. Dennis Muren en Ned Gorman van Industrial Light & Magic kwamen onder meer op het idee om twee identieke helften van een mensengezicht aan elkaar te plakken. Uiteindelijk verwierpen ze al hun ideeën zelf, schreven ze in een artikel in Entertainment Weekly. Ze zeiden tegen Kubrick dat hij het beste gewoon een acteur als basis kon gebruiken. Dat is immers het leuke verschil tussen kunst en wetenschap: film kan uitvindingen voorstellen alsof ze al bestaan en daarvoor middelen gebruiken die al lang bestaan. In een film als Alien van Ridley Scott (1979) komt het als een grote verrassing dat een van de bemanningsleden van het ruimteschip een androïde is. Geen wonder: androïde Ash wordt door een mens gespeeld. In Blade Runner (1982), de bekendste en meest besproken androïde-film, ook van Ridley Scott, kan de door Harrison Ford gespeelde hoofdpersoon zowel een mens als een androïde zijn - er zijn van deze film twee verschillende versies in omloop, met een ander einde. Naar verluidt gaat Haley Joel Osment, het voor een Oscar genomineerd jongetje uit The Sixth Sense, David spelen in A.I. Dat bericht luchtte mij op. Op de een of andere manier leek het mij zo zinloos naar een virtueel acteur te kijken. Het is niet echt.

Dat is een raar argument. Echte acteurs zijn toch ook niet echt de personages die ze gestalte geven? Misschien hoort de melancholie die de virtuele acteur veroorzaakt bij de angst die in een film als The Matrix (1999) van Andy en Larry Wachowski wordt opgeroepen, waarin de hele wereld zoals wij die kennen eigenlijk een soort computerspel blijkt te zijn, of totale cinema, waarin iedereen zijn eigen virtuele acteur is. Zo'n wereld is een wereld zonder spiegels. Je kunt in een ander niet meer jezelf herkennen.

In mijn computer kwam zojuist de volgende brief binnen: ,,Dear Friend, Great News!! I just learned that there is a new Free update available of little old me! It looks like I now have a new and improved personality! This 'll enable me to hang out with you without disturbing you! Now tell me how many friends you have that can say that?''

Ook David uit Super-Toys kent de angst voor het onechte. ,,`Teddy, you know what I was thinking? How do you tell what are real things from what aren't real things?' The bear shuffles its alternatives. `Real things are good.'''

In de science fiction, horror en fantasyfilms over androïden wemelt het van de opvattingen, meningen en visies over en op de kunstmatige mens, positieve en negatieve, optimistische en pessimistische, bange en jubelende. In het boek Replications, a Robotic History of the Science Fiction Film, wijst J.P. Telotte erop dat visies die elkaar uit lijken te sluiten, vaak in dezelfde film voorkomen. Dat was al zo in Metropolis (1927) van Fritz Lang, een van de eerste meesterwerken in het genre. Het instinct tot nabootsing is de mens eigen, net als het instinct om van nagebootste dingen te genieten, zei Aristoteles. Maar ze zijn er ook bang voor.

In veel films loopt het met de scheppers van levende wezens uiteindelijk slecht af, met dr. Frankenstein als bekendste voorbeeld. De moraal van deze verhalen is een monotheïstische. God heeft het alleenrecht op het scheppen van mensen. ,,In onze cultuur is het maken van een mens een godslastering'', zegt de Poolse schrijver Stanislav Lem. De mens wil gods gelijke worden door zijn belangrijkste schepping te herhalen. Zo'n waagstuk kan niet slagen, en als het toch lukt, heeft de duivel erbij geholpen. Het is een redenering die veel films hun moraal moet geven. Ook in hedendaagse debatten over technologie en biotechnologie wordt het nog vaak gebruikt. Volgens Lem hoort dit taboe bij een uniek christelijk-joodse zienswijze. Maar gelukkig zijn er ook in deze cultuur nog andere mythes en sprookjes om naar te verwijzen. Kubrick refereerde altijd aan AI als Pinokkio. Veel zachtaardiger is ook het door Ovidius vertelde verhaal van de beeldhouwer Pygmalion, die uit ivoor een prachtige vrouw schiep. Venus zag dat hij van haar hield en blies haar leven in.

Misschien is het verhaal over Pygmalion en zijn naamloze eega in het christelijke westen zo populair gebleven omdat het slechts een vrouw betreft die geschapen wordt. Pas bij het scheppen van een man zou de gevestigde orde in gevaar komen. De science fiction-film is overbevolkt met gewillige sekspoppen die kunnen bewegen, met als komisch hoogtepunt The Stepford Wives, waarin de huisvrouwen uit een Amerikaanse suburb vervangen worden door perfecte kopieën van zichzelf. De film staat hier grappig genoeg in schril contrast met de werkelijkheid: mannen komen aan hun trekken in de bioscoop, vrouwen hebben een vibrator op hun nachtkastje liggen. Het mannelijke geslacht is het enige lichaamsdeel dat in machinale vorm een succesvol gebruiksgoed is geworden. Sommige feministen zien in de wereld van science fiction, overigens ook een bevrijding voor de vrouw. In de meeste films is daar nog weinig van te merken. Geslachtsloze of hermafrodiete mensen komen er nauwelijks in voor. Ook in Aldiss' verhaal Super-Toys is het nog niet zover. Het computerjongetje David wordt afgedankt zodra er een echt kind op komst is.

Androïden en cyborgs zijn vaak sterker of slimmer dan mensen. Toch willen de dingen die het verder hebben gebracht dan vechtmachine of sekspop vaak maar een ding: mens worden. In Bicentennial Man (1999) van Chris Columbus, dat is gebaseerd op een verhaal van Asimov, doet Robin Williams er tweehonderd jaar over om van robot Robin Williams te worden. Wat dat betreft verschillen androïden niet zoveel van engelen en buitenaardse wezens. Ook hemel- en heelalbewoners kiezen in uiteenlopende films als Der Himmel über Berlin en My Favorite Martian voor een bestaan op aarde. De heimwee van E.T. lijkt eerder uitzondering dan regel. Kunnen vliegen is minder geweldig dan een zonsondergang zien; gedachten lezen minder opwindend dan een ijsje eten. Androïden, aliens en engelen hebben in die zin allemaal een conservatieve agenda: ze moeten ons verzoenen met ons lot. Science fiction-films kunnen hetzelfde juichende gevoel geven als het lezen van een populair wetenschappelijk boek over neurologie of kunstmatige intelligentie. Niets is zo goed voor het ego als om te lezen hoe knap het is dat je je ene been voor het andere kunt zetten, een boek kunt lezen of een lied kunt zingen. De verschillen tussen mensen onderling vallen weg. 1 + 1 = 2 is bijna net zo'n grote prestatie als E = mc2.

De kunstmatige mensen verlangen het meest naar het krijgen van een hart, zoals de blikken man uit The Wizard of Oz al zei. Ze willen voelen, de mannen van staal en de vrouwen van plastic. Ze willen pijn hebben als ze bezeerd worden, lachen als de zon schijnt, genieten van een ijsvogel die zulke mooie ijsvogels kan maken. Boven alles willen ze, hoe kan het anders, de liefde leren kennen. In een laatste vertoon van op de borstklopperij kan de kijker deze mensen in spe zijn medeleven schenken. Hij kan ze als zichzelf zien. In Aldiss' verhaal kan iedereen zich verplaatsen in het jongetje dat geen liefde terug krijgt. De onbeholpen brieven die het computerkind aan zijn zogenaamde moeder schrijft roepen het gedicht van Gorter in herinnering waarin hij zo knap `zie je ik hou zo van je' stamelt.

Zie je ik wou graag zijn

jou, maar het kan niet zijn,

het licht is om je, je bent

nu toch wat je eenmaal bent.