Grote, boze halfbroer

Acht jaar geleden, 45 jaar na haar prozadebuut, kwam Hella Haasse er achter wat `oeroeg' betekende. Oeroeg, de naam voor haar titelheld was haar ooit spontaan ingevallen, zo legde ze uit in Een hand vol achtergrond (1992). Decennia later viel de naam alsnog op zijn plaats. Het bleek een verouderd woord te zijn voor aardverschuiving en dat leek haar achteraf wonderwel te passen bij de veelbewogen inhoud van de novelle. Het woord vertoont een zekere betekenisovereenkomst met stroomversnelling, het natuurverschijnsel waarnaar ze haar poëziedebuut uit 1945 vernoemde.

Aardverschuiving en stroomversnelling, – het zijn niet de woorden die je meteen zou associëren met het werk van Hella Haasse. Bij haar zou je eerder aan het omgekeerde denken: vaste grond onder de voeten, een gestaag voortstromende rivier. Haar weinig opruiende literaire instelling, gewaardeerd door een groot en breed lezerspubliek, heeft er waarschijnlijk mede voor gezorgd dat zij in letterkundige overzichten nog altijd niet in één adem wordt genoemd met het drietal dat de naoorlogse top van de letteren uit zou maken: Hermans, Reve en Mulisch. Zeker is wel dat zij het gelijkhebberige van Hermans,het exhibitionistische van Reve en het megalomane van Mulisch mist. In al die jaren is zij vooral haar onzelfgenoegzame zelf gebleven, of zij nu gedichten, essays, novellen, brievenboeken, historische of gewone romans schreef. Bij dat alles lijkt zij niet door enige vorm van agressie te worden gedreven, maar door nieuwsgierigheid, oprechte verbazing over de wereld, die tot uitdrukking komt in een wonderbaarlijk lichte en enigszins onthechte toon.

Het is precies die montere toets die ook haar nieuwe, detective-achtige roman Fenrir zo'n bijzonder accent verleent. `Matthias Crone was op 25 september naar het concert gegaan, omdat hij in de krant gelezen had dat de pianiste wolven in haar achtertuin hield', zo luidt de aanstekelijke eerste zin. Het verhaal dat erop volgt is intussen duister genoeg. Tussen de druipende sparren van de Belgische Ardennen speelt zich, in het bijzijn van de jonge journalist Matthias en diens stoere vriend Rollo, tijdens een lang en heftig weekend een waar familiedrama af. Op een somber landgoed strijden twee zussen, een zwager, een nichtje en een halfbroer vergeefs om de macht. De ene zus, een beroemde pianiste, zou het rijk het liefst alleen hebben voor zichzelf en haar drie uit Canada geïmporteerde wolven. De andere zus wil op het terrein van de wolven een oord vestigen voor folkloristen om oude riten en tradities te doen herleven. De zwager ambieert de vestiging van een hondenkennel, de halfbroer wil een asielzoekerscentrum beginnen, terwijl het opgewonden nichtje de familie met valse berichtgeving in diskrediet probeert te brengen in de hoop dat men dan naar de stad zal verhuizen en het duffe sparrenwoud zal verlaten. Ontsnapte en opgejaagde wolven, een ongeïdentificeerd mensenhoofd, geweerschoten en teruggevonden manuscripten met veelzeggende inhoud zorgen voor nog meer spanning en sensatie.

Een beslissende rol in deze machtsstrijd is weggelegd voor de wolf: het interessante, maar ook bepaald onheilspellende leidmotief van de roman. Hij neemt hier verschillende gedaanten aan, net als in de sprookjes. Hij is Fenrir, het griezelige, verscheurende monster uit een Germaanse sage, maar ook een soort huisdier waarmee je spelletjes kunt doen, een verraderlijke sluiper die altijd in de rug aanvalt, maar ook een intelligente woudloper, zorgzaam en honkvast. Zoals de titel al aangeeft gaat het Haasse niet zozeer om echte wolven van vlees en bloed, die in Europa alleen nog een zieltogend bestaan leiden in dierentuinen of in andere te krappe territoria. Eigenlijk heeft de wolf alleen nog bestaansmogelijkheden in de verbeelding, als fabeldier, mythologisch monster of als gedroomde hond.

De grote boze wolf die hier de rol van bloeddorstig monster vervult, als eigentijdse Fenrir, is er een in schaapskleren: de uit het niets opgedoken halfbroer. Hij beweert dezelfde vader te hebben als de pianiste en haar zus en komt nu zijn deel opeisen van de nalatenschap van de eertijds befaamde antropoloog. Hij noemt zichzelf een `lone wolf', heeft een wolfsmond, ofwel een hazenlip, stookt de familieleden tegen elkaar op en besluipt steeds iedereen van achteren. Een beetje karikaturaal is hij wel, deze eenzame, naar erkenning hongerende weerwolf met zijn misvormde mond en slinkse gedrag, maar een geducht thrillerelement vormt hij zeker. En Haasse zou Haasse niet zijn, als zij zelfs deze griezel niet nog het voordeel van de twijfel zou gunnen. Als `Ostmensch' heeft hij het, met zijn onduidelijke komaf, ernstig tekort aan ouderliefde en afstotend uiterlijk, bepaald niet getroffen. Dat hij zich gediscrimineerd voelt en daardoor ernstig beschadigd, heeft diepe wortels in het verleden. Verwijzingen naar Kosovo, de Balkancrisis en de etnische zuiveringen maken duidelijk dat deze boze man maar een van velen is. Met de komst van zoveel mogelijk asielzoekers uit Oost-Europa hoopt hij zijn positie te versterken.

Net als in haar boekenweekgeschenk Transit gaat de onverdeelde sympathie uit naar een jong personage, in dit geval naar de 23-jarige Matthias, die wel het jeugdige, mannelijke alter ego lijkt van Haasse zelf: een ietwat onthecht, studieus type met een open, verbaasde blik op de wereld. Hij wordt tijdens het lange weekend in de Ardennen overspoeld met indrukken. Hij krijgt een menigte aan visies, gevoeligheden, interpretaties en achtergronden te verwerken die samen tot een kluwenachtige intrige leiden die zich niet helemaal laat ontrafelen. Hoe het met de arme macho Rollo in het gevang gaat aflopen nadat hij de halfbroer heeft neergeschoten, waar de pianiste haar heil zal gaan zoeken nadat het landgoed is opgedoekt, of de wolf in schaapskleren na zijn revalidatie nieuw onheil zal aanrichten: dat wordt allemaal aan onze verbeelding overgelaten.

Om die details gaat het Haasse ook niet. Haar is het begonnen om wat op de laatste bladzijde `de wezenlijke samenhang' wordt genoemd, die vanzelf een keer uit de chaos zal komen oprijzen. Ze lijkt daarmee te doelen op een overkoepelende levensvisie die alle individuele meningen en interpretaties overbodig zal maken. Het klinkt mooi, maar het lijkt mij een wensdroom, zo'n grote samenhang, want wat Haasse in Fenrir nu juist met zoveel verve laat zien, is hoe hartgrondig oneens de mensen het voortdurend met elkaar zijn, over eigenlijk alles.

Hella S. Haasse: Fenrir.

Een lang weekend in de Ardennen. Querido, 168 blz. ƒ29,90