Gesmoord in schuim van overdadig rijm

Met de deur in huis vallen, dat is wat Een hemd in de wind van Huub Beurskens doet. Het eerste gedicht, `Mijn broer Jezus', begint zo:

`Dáárom train je met apparaten,

wil je je buik kwijt en drink je fruitsap!'

(Blozend:) `Nee.' Maar allen die aan

zaten

lachten en iemand kraaide voor de grap.

Het twaalf pagina's lange vers behelst kanttekeningen en overpeinzingen bij de Passiespelen in het Limburgse dorp Tegelen, waarvoor de broer van de dichter de rol van Jezus op zich mag nemen, aldus een aantekening achterin de bundel. Die passiespelen figureren ook in de eveneens eind vorig jaar verschenen roman van Beurskens, O mores!

Of het waar is van die broer weet ik niet, want de woordspeling met `je-zus' en `je-broer' maakt me wantrouwig. Maar het doet er niets toe of het waar is – het gaat er in de kunst altijd alleen om of iets waar wordt gemaakt. Het werk van de juist vijftig geworden Beurskens is bovendien één grote maskerade van semi-autobiografische belevenissen en quasi-zelfonthullingen, waardoor de vraag of deze poëzie naar iets verwijst hoe dan ook te naïef is.

De gedichten zijn juist doortrokken van onophoudelijke twijfel aan wat echt is en waar, en wie wat is. Soms wordt dat binnenrijmend en wel onderstreept, zoals wanneer in dit passiespel-gedicht mijmeringen over de jeugd onderbroken worden door de regel: `Echter zoiets herinner ik me echt niet.' Mooi dubbelzinnig, dat `echter' als vergrotende trap van echt. Zo help je alle echtheid om zeep.

In een vers met uitzicht op zee zit de dichter `aan de rand van de steilte'. `Die voorstelling is.' laat hij er meteen op volgen voor degenen die mochten denken dat de dingen zijn zoals ze zijn. De wereld is mijn voorstelling, of die van anderen, die niet zijn wie ze lijken te zijn: niets is volkomen werkelijk of staat vast, zo blijkt telkens in deze bewegelijke gedichten.

Ooit, in de jaren zeventig, begon Beurskens met modernistische poëzie, waarin het gedicht een autonoom ding was en elke expressie van gevoelens of stemmingen taboe. Nu, een kleine twintig bundels later, is hij een van de weinige dichters die je, al ben ik huiverig voor de term, een postmodernist zou kunnen noemen. Want de postmoderne preoccupaties met wat `representatie' heet, de manier waarop de werkelijkheid wordt voorgesteld, woekeren door al deze gedichten. Schetst Beurskens een tafereeltje aan het water, dan is dat ten eerste al aan een schilderij ontleend, maar ten tweede wordt er in gehengeld door `anderen, / verstrooid bedacht'. Het is kunstmatigheid alom.

En de dichter zelf? Blijft die buiten schot? In zekere zin wel, al verdisconteert hij, hyperbewust van dit alles, en van de kritiek die mogelijk is op het steriele van zijn maskerades, de kritiek die je daarop kunt hebben. Naar aanleiding van (ja, opnieuw) een schilderij, van Corot ditmaal, schrijft hij:

(...) Zelfs wonden zijn grime, roerselen

als donder

van hoorspelstudioblik. Semi-somber

semi-ik speelt ik net

ik. Wees expliciet! Ja maar nee niet het

verlangen op een vlonder

wil ik horen maar nimfenverschijnen

zien in loofduister en riet ...

Het gaat Beurskens hierbij niet om de kitsch, om een zich laven aan de onechtheid van cultuur in verval, zoals je dat soms bij Komrij ziet en vooral in de gedichten van Peter Ghyssaert. Eerder betreft het een meer filosofische pointe denk ik, om de onbestaanbaarheid van het werkelijke. Daarin, en in de luchtigheid waarmee hij dat opneemt, is hij postmodern, zoals hij postmodern is in de vele vormen en stijlen waarvan hij zich afwisselend bedient en in de reeksen citaten en verwijzingen die zijn werk bevat. In Een hemd in de wind treden onder andere op de schilders Constable, Dürer, Braque, Caravaggio en Corot, de filmer Pasolini, en dichters als Dante, Ronsard, Benn, Hölderlin, Herbert en John Shade.

Alleen de onder postmodernen populaire populaire cultuur ontbreekt nagenoeg, zij het dat de goochelaar Houdini een rolletje speelt en het woord Hollywood een keer valt. In het gedicht Nachtelijke paden en zuchten steekt de dichter zelfs de draak met de gewone man. Hier zit hij in een leeg café in de stad, waar `een aapnek tapt die bij wijze van spreken / zijn onderkaak naar voren steekt en geen lach uitstoot / zonder dat zeker een van zijn armen daarbij / naar de planken vloer toe zakt.' Wanneer hij ongewild vertrouwelijk wordt met de barman is hij opgelucht `om wat er binnenkwam. / Een stel levenmakers van gasten en twee wijfjes / erbij, de een, met prammen in zebra, op dik, / de ander, in pantervelmini, nog net niet.'

Voor dit gedicht geldt trouwens wat voor veel gedichten van Beurskens opgaat, vooral die uit zijn laatste bundels: ze zijn te lang. Ze beginnen bruisend, komen als een golf op je af, maar lopen dan steeds ondieper uit op het strand om in schuim van overdadig rijm en andere fratsen te smoren. Het is alsof de dichter zich mee laat voeren door zijn eigen woorddronkenheid. Aan de ene kant geeft dat zijn poëzie een lyrisch karakter, anderzijds is de keerzijde van dronkenschap maar al te vaak breedsprakigheid. De dronkenschap van een ander is doorgaans moeilijker te verteren dan die van jezelf.

Soms word ik werkelijk kriegel van al die kunstmatigheid, het gerijm, de inversies en nieuwvormingen, van de spielerei en de onzin die dit alles met zich meebrengt, en vooral van het overbewust postmoderne dat iets oubolligs heeft. En toch bevalt mij het schaamteloos overdadige rijm en de woordspelige lyriek die geregeld aanstekelijk werkt. Bovendien hoor ik wonderlijk genoeg in al dat geciteer, gespiegel en ander gedoe zoiets als de eigen stem die je uiteindelijk van elke dichter verlangt. Niet de stem van een gekwelde dichtersgeest, maar een die zingt als Guido Gezelle en vrolijk is als Pierre Kemp, die getuigt van Vromans taalplezier en in zijn beste momenten alle koketterie ver achter zich laat.

Het balanceert op de rand van zoetgevooiste nep, al dit zwoegen op de vorm. Het zijn gedichten gemaakt op de hometrainer (dáárom traint hij met apparaten!), en Hemd in de wind haalt het niet bij eerdere bundels als Hollandse wei en Aangod en de afmens. Maar het blijft poëzie die getuigt van een raar soort opgewektheid, en is daarom poëzie die er mag zijn.

Huub Beurskens: Een hemd in de wind. Gedichten.

Meulenhoff, 63 blz. ƒ29,90

    • Maarten Doorman