Geen strijder voor een betere wereld

Toen in 1902 de Boerenoorlog werd beëindigd, had het Britse koloniale rijk zijn grootste omvang bereikt. Honderd jaar later is er bijna niets meer van over. Regeringsleider was destijds de Conservatief Lord Salisbury (1830-1903). Hoewel hij vijfentwintig jaar minister is geweest, en meer dan de helft van die tijd premier, heeft hij niet zo'n klinkende naam nagelaten als zijn twee onmiddellijke voorgangers, Gladstone en Disraeli.

Dat is jammer, want ook al zijn de politieke ideeën van Salisbury inmiddels achterhaald, zijn onderhandelingskunst, kennis van zaken, zijn scepticisme en ironie zijn nog altijd actueel. De manier waarop hij Engeland leidde doet denken aan de leiding van een bedrijf of een bank: zijn opdracht, vond hij als conservatief, was instandhouding van het rijk, en uitbreiding wanneer die volgens de geldende regels uitvoerbaar en toelaatbaar was.

De laatste tijd gaat het gelukkig beter met zijn nagedachtenis. Nadat er lang niets over hem is gepubliceerd, zijn binnen een jaar tijd twee biografische studies verschenen, een relatief korte van David Steelde (Lord Salisbury) en een lijvige, Salisbury. Victorian Titan, van Andrew Roberts. De laatste is vorige week in Engeland bekroond met de James Stern Silver Pen Award, de prijs van de PEN-club voor non-fictie. Een terechte erkenning van het werk van deze biograaf: Roberts laat zijn Victoriaanse titaan met zoveel begrip aan het werk zien dat de lezer zich meer dan anders een erfgenaam voelt van dat Europa. Zijn boek spreekt even sterk tot de verbeelding als tot de weetgierigheid.

Blikseminslag

De proloog van Roberts' boek werkt al als een blikseminslag. Hij beschrijft beeldend hoe troepen uit alle delen van het Empire op 22 juni 1897 voor de viering van het 60-jarig regeringsjubileum van Koningin Victoria door de straten van Londen marcheerden. Salisbury stond op de treden van St. Paul's Cathedral, omringd door het corps diplomatique. En daar kwam de koningin aan in haar koets en klonk het gezang van de menigte. `Deze dag zal voortleven', schreef Salisbury 's avonds aan de koningin. Tegelijk dàcht hij wat anders, volgens Roberts, namelijk wat hij een paar dagen later op een vergadering zei, het gevaar van deze stemming is `dat wij harmonie een adequaat substituut gaan vinden voor calculatie'.

Wie Salisbury's uitspraak laat afsteken tegen de geschiedenis van de volgende honderd jaar kan er minutenlang over peinzen: had hij gelijk met die waarschuwing, gezien het verval van het Britse rijk? Daarna komen de meer dan achthonderd pagina's over de calculaties in Salisbury's leven – niet in de strakke zin van berekeningen maar in de veelvoudige vorm van afwegingen. Roberts' biografie is een verhaal over een man in zijn werkkring. Salisbury heeft zich zelden laten kennen in zijn grieven, grillen en gevoelens. Daardoor is enigszins verklaard dat hij minder biografen heeft aangetrokken dan zijn eminente voorgangers.

Hoewel hij nooit dichtbij ons zal komen is er wel wat te vertellen over zijn privé-leven dat hem herkenbaar en soms zelfs vertrouwd maakt. Dat hij uit een van de voornaamste families van Engeland stamde – zijn beroemdste voorvader was William Cecil die Lord Burghley werd, de minister van Elizabeth I. Dat hij opgroeide op het kasteel van Hatfield bij Londen, wat niet verhinderde dat hij op Engelands meest prestigieuze kostschool Eton ondraaglijke pesterijen te verduren kreeg. Zijn vader moest hem tenslotte op Hatfield door huisleraren laten onderwijzen totdat hij naar Oxford kon waar het hem beter beviel. Vervolgens kreeg hij, na een variant van de Grand Tour die hem alleen door Engels-sprekende gebieden op het zuidelijk halfrond voerde, in 1853 een zetel in het Lagerhuis toegespeeld door een familielid.

In 1857 werd hem de deur van Hatfield House gewezen toen hij trouwde met Georgina Alderson, die niet rijk, niet mooi en niet aristocratisch was. Het duurde zeven jaar voordat hij weer bij zijn ouders ontvangen werd. Intussen moest hij om zijn stand op te houden geld bijverdienen. Gelukkig ontplooide hij een aanzienlijk talent als politiek commentator voor verschillende bladen. Hij oordeelde ongenadig over zowel binnenlandse als buitenlandse zaken. In die periode formuleerde hij veel van de ideeën die later zijn beleid hielpen bepalen.

Niet lang na de verzoening met de familie kreeg hij zijn eerste grote politieke benoeming, als staatssecretaris voor India. Een rechte weg voerde daarna naar het ministerschap van Buitenlandse Zaken in volgende conservatieve kabinetten. In 1874 kreeg Salisbury door Disraeli opnieuw India toegewezen en werd hij wederom tevens verantwoordelijk voor de reisroute naar die kolonie. Dat betekende vervolgens verantwoordelijkheid voor de relatie met Rusland, dat altijd zon op een kans vrij toegang te krijgen tot de Middellandse Zee, en ook voor het overleg met Duitsland dat onder de druk van de Russische nabuurschap leefde, en vandaar ook met Oostenrijk en met Frankrijk.

Om te begrijpen wat Salisbury in die jaren bezighield moet de lezer zich laten meeslepen door de ingewikkelde toenmalige internationale tegenstellingen. Roberts verdient een compliment voor zijn vermogen om dat netwerk van conflictueuze belangen in geconcentreerde vorm tot leven te brengen. Achtereenvolgens brak een serie crises uit, eerst in de Engels-Russische relaties doordat de Russen opdrongen in Afghanistan; vervolgens op de Balkan toen de afspraken van Berlijn onvoldoende bleken om de ambities te bedwingen; met Portugal over Oost-Afrika; met de Fransen over visrechten bij Newfoundland, over de militante uitspraken van de generaal Boulanger, over de zuidelijke Soedan en de bronnen van de Nijl; met Spanje over Gibraltar; met Grieken en Turken over Kreta; met Amerika over Venezuela; met de Duitsers over het gedrag van de nieuwe Keizer Wilhelm II, en ten slotte, nadat de relaties gewoonlijk vriendelijk geweest waren, over de Duitse vlootuitbreiding.

Scepticus

Dit alles vereiste het soort pragmatische afwegingen waar Salisbury goed in was. Deze staatsman was geen veroveraar, maar een scepticus, en een onderhandelaar. Dat hij desondanks meer overzeese gebieden onder Brits gezag bracht dan zijn voorgangers, was omdat hij ze uit de handen van andere Europeanen wilde houden, zonder persoonlijke illusies te koesteren over de duurzaamheid van het Empire. Hij begreep dat de leiding over zo'n uitgestrekt rijk niet vol te houden zou zijn en zag de toekomst niet optimistisch in. `Wat er nu ook gebeurt, het zal een verslechtering zijn. Het is daarom in ons belang dat er zo min mogelijk gebeurt', is een typerende Salisburiaanse uitspraak.

Toen hij premier was geworden, eerst van een kortdurende minderheidsregering, daarna van 1886 tot 1892 en na een periode van liberaal bewind opnieuw in 1895, kreeg hij te maken met complexe binnenlandse vraagstukken. Het grootste was het Ierse conflict over zelfbestuur, dat hem aan een ruime meerderheid in het Lagerhuis hielp toen de Liberal Unionists zich om de kwestie afsplitsten van de Liberale partij. Het kwam niet dichterbij een oplossing. Daarnaast waren er tal van kleinere vraagstukken waar hij zich in moest verdiepen, wat hem in het bijzonder hinderde wanneer zij de opmars van moderne ideeën vertegenwoordigden: pleidooien voor het algemeen kiesrecht, en voor de vrijheid van onderhandelen voor vakbonden.

Lord Salisbury was, kortom, geen strijder voor een betere wereld. Hij was van mening dat de Engelsen blij mochten zijn zolang het niet slechter ging: met de vrijheid, welstand, orde en vrede. Vooral de oorlogsdreiging baarde hem steeds grotere zorgen. Hij wist hoe moeilijk het voor hem geweest was, de druk van de internationale spanningen te verlichten; hij twijfelde of een volgende generatie daartoe in staat zou zijn.

Zijn pessimisme kon alleen verzwaard worden door het laatste grote conflict van zijn carrière, de Boerenoorlog. Hij had geen twijfels over de juistheid van het besluit om die oorlog aan te gaan, wel over de duur en de kosten ervan, over de onbekwaamheid van de legerleiding en een beetje over de schade aan de Engelse reputatie. Hij profiteerde weliswaar onbeschroomd van de nationalistische stemming in het land voor de algemene verkiezingen van 1900, die een Conservatieve overwinning opleverden.

Maar daarna liet hij zich mismoedig uit over de toekomst van het parlementaire stelsel: twee keer achter elkaar het Lagerhuis ontbinden en dan weer de verkiezingen winnen, dat kwam vroeger niet voor, en het leek hem geen teken van een gezond bestel. Salisbury hoorde in sommige opzichten bij een ouder, conservatiever Engeland dat al tijdens zijn regeerperiodes niet meer bestond. Na de dood van zijn vader mocht hij niet meer in het Lagerhuis verschijnen: hij was lid van het Hogerhuis, en had ook als premier nooit met het gewone volk van Kamerleden te doen. Hij voelde het niet als een bezwaar. Het Hogerhuis, zei hij in een speech in 1880, heeft als plicht om, in tegenstelling tot de voorbijgaande gevoelens van de natie, de duurzame te vertegenwoordigen. Ook dat was een kenmerkende uitspraak, van deze Victoriaanse conservatief van titanenformaat.

Andrew Roberts: Salisbury, Victorian Titan. Weidenfeld & Nicolson, 938 blz. ƒ99,50