Erfelijk staatshoofd kan democratie versterken

De traditionele mogelijkheden om de koningin buiten de publieke discussie te houden zijn beperkt geworden. Als tijden veranderen, moeten ook staatsinstellingen zich aanpassen. Voor die aanpassing is allereerst nodig zorgvuldig te definiëren wat het probleem eigenlijk is en wie dat probleem heeft, vindt H.D. Tjeenk Willink.

In de afgelopen week is mij een opvatting toegeschreven die de mijne niet is. In het NOS-Journaal van 8 april zou ik hebben gepleit voor uitbreiding van de bevoegdheden van de koningin.

Hetgeen ik echter in dat journaal heb gezegd is (kort samengevat): Het koningschap in een democratie heeft ten minste twee belangrijke functies: het bewaken van de (constitutionele) spelregels, en de boel bij elkaar houden. Ieder die zich er bewust van is dat de spelregels in een democratie, ook in Nederland, niet automatisch gegarandeerd zijn en dat het gevoel dat we – Nederlanders en nieuwe Nederlanders – bij elkaar horen onder druk staat, moet zich tweemaal bedenken alvorens aan het koningschap te gaan morrelen.

Daaraan heb ik toegevoegd, ik citeer nu letterlijk: ,,Een van de elementen van een democratie is natuurlijk publiek debat. Een publiek debat over de monarchie, voor zover dat op dit moment gevoerd zou moeten worden, zou moeten gaan over de vraag of we de koningin voldoende mogelijkheden geven, of zij voldoende ruimte krijgt om die twee functies zo goed mogelijk te vervullen.'' Ter verduidelijking had ik er nog aan toe kunnen (en naar achteraf gebleken is, moeten) voegen: Beseffen we dat die functies gecompliceerder zijn geworden? Ik heb overigens uitdrukkelijk de vraag of de koningin voldoende mogelijkheden en ruimte krijgt, niet zelf willen beantwoorden omdat dat op dit moment mijn taak niet is.

Die vraag is vervolgens, eerst op teletekst en daarna in verschillende media opgevat als: er is dús te weinig ruimte, er zijn dús te weinig bevoegdheden, er is dús te weinig macht. Ergo: de vice-president van de Raad van State pleit voor meer. Die redenering is op z'n minst onzorgvuldig terwijl zorgvuldigheid het doel van mijn interventie vormde; niet meer, niet minder. Daarom deze misschien wat ongebruikelijke reactie.

In 1992 heb ik, toen als voorzitter van de Eerste Kamer, aangegeven dat er zeker twee redenen zijn om het debat over de monarchie zorgvuldig te voeren. Allereerst wegens de positie van de monarchie als symbool van nationale eenheid. Die positie werd door de Tweede Wereldoorlog definitief gevestigd. Voor het eerst sinds anderhalve eeuw werd Nederland betrokken in een internationaal conflict. Het verloor zijn zelfstandigheid. Het `recht op verdeeldheid' (onderdeel van onze nationale identiteit) werd aangetast; het symbool van de eenheid, de koningin, verdreven. Dat alles scherpte het besef van de nationale verbondenheid.

Van daaruit is het ook verklaarbaar dat sinds 1945 in Nederland eigenlijk maar twee onderwerpen zijn geweest die het land op zijn grondvesten deden trillen: alles wat aan de oorlog raakt en alles wat het koningshuis in discussie brengt. Zij vormden tot voor kort de enige nationale kwesties die politici consequent buiten de partijpolitieke strijd probeerden te houden. Niet zozeer om een taboe te koesteren, zoals nu wordt gesuggereerd, maar vanuit politiek belang.

We moeten constateren dat dat thans anders wordt gewogen, juist op het moment dat de macht zich naar Brussel verplaatst, er onzekerheid heerst over waar we voor staan en er nieuwe Nederlanders zijn, hier geboren, hier opgeleid, hier aan het werk, die zich ook Nederlanders willen voelen. De tweede reden om het debat zorgvuldig te voeren is de positie van de monarchie in een democratie.

In alle Westerse democratieën zijn de laatste jaren zwakke plekken zichtbaar geworden. De betrokkenheid van de burger, de effectiviteit van het bestuur en de herkenbaarheid van het leiderschap laten te wensen over. Dat geldt ook in Nederland. In de jaren zestig en zeventig is grote aandacht geschonken aan de relatie kiezers-gekozenen. Dat heeft niet tot blijvende verbeteringen geleid. In de jaren tachtig en negentig is vervolgens de nadruk komen te liggen op verbetering van de effectiviteit van het bestuur. Het resultaat is wisselend.

Ook de voorwaarden voor herkenbaar leiderschap zijn in Nederland altijd moeilijk te realiseren. Na het verdwijnen van de regenten heeft de zelfstandige functie van regeerders aan kleur ingeboet. Er wordt, ook door hen zelf, geklaagd over verambtelijking. In een land van minderheden is het presenteren van een eigen, afwijkende, visie riskant. Dat brengt immers het evenwicht, de coalitie, in gevaar. Ook de eigen verantwoordelijkheid is zwak ontwikkeld; gezamenlijke verantwoordelijkheid hoort bij onze evenwichtspolitiek. In tijden van verandering, zoals nu, worden deze zwakke plekken meer zichtbaar.

Een erfelijk staatshoofd kan die zwakke plekken niet wegnemen: het is niet gekozen, heeft geen eigen beleid noch eigen politieke verantwoordelijkheid. Een erfelijk staatshoofd kan wel bijdragen aan een levende democratie. Dat is juist in tijden van verandering belangrijk. Een levende democratie wordt gekenmerkt door publieke betrokkenheid bij wat ons gemeenschappelijk raakt, door aandacht voor nieuwe ontwikkelingen, door het overstijgen van deelbelangen en door het erkennen van menselijke maat. In de afgelopen 20 jaar heeft de koningin haar bijdrage aan elk van deze vier kenmerken gegeven.

Dat stelt hoge eisen aan de wijze waarop wij met het koningschap omgaan. De traditionele mogelijkheden om de koningin buiten de publieke discussie te houden zijn immers beperkt geworden. Als tijden veranderen, moeten ook staatsinstellingen zich aanpassen. Voor die aanpassing is allereerst nodig zorgvuldig te definiëren wat het probleem eigenlijk is en wie dat probleem heeft. Welke vragen moeten worden beantwoord?

Wat mij de laatste week zeer is gaan intrigeren is hoe de ene vraag die ik op 8 april in het NOS- Journaal voor het publieke debat stelde (`Welke mogelijkheid heeft de koningin om haar functies goed uit te kunnen oefenen?') anoniem werd bewerkt tot een antwoord (`Tjeenk Willink pleit voor meer bevoegdheden'). Een vervelend voorbeeld van het verschijnsel dat niet de echte bron maar de (anonieme) bewerkte bron tot basis van de berichtgeving wordt.

Mr. H.D. Tjeenk Willink is vice-president van de Raad van State.