Een miljoen krantenpagina's

De vijfhonderdste gele kaart in het betaalde voetbal, het snelste doelpunt ooit, de langst niet gepasseerde doelman: John Frederikstadt wist het allemaal, en vooral Studio Sport maakte graag gebruik van zijn kennis.

Al jarenlang is Jan van de Plasse de John Frederikstadt van de journalistiek. Een databank van feiten, getallen, jaartallen. De artikelen die hij van 1981 tot 1998 schreef voor het tijdschrift De Journalist , vaak in zijn rubriek `Zomaar een lezer', hadden altijd een statistisch element in zich. De titel van zijn rubriek dekte de lading slecht, want Van de Plasse was nu juist allesbehalve een modale lezer. Die leest immers niet zeventien jaar lang dagelijks de zes landelijke dagbladen (een kleine miljoen krantenpagina's), met naast zich pen, notitieblok en liniaal. Die kun je als redactie niet bellen met vragen over groei van het aantal advertentiepagina's, de omvang van de kranten in de afgelopen tien jaar, of de favoriet van de politieke tekenaars in 1995. Zelf heb ik Van de Plasse ook eens geconsulteerd, toen ik op zoek was naar de oplagecijfers van een verdwenen voetbalweekblad. Een paar uur later belde hij terug met de antwoorden.

De interesse van een zo fanatieke statisticus beperkt zich natuurlijk niet tot het heden. Vandaar dat de auteur in zijn Kroniek van de Nederlandse dagbladpers teruggaat naar het begin, en de ontwikkelingsgang van de Nederlandse krant schetst aan de hand van – hoe kan het anders – feiten en data. Voor zover door hem te achterhalen, geeft Van de Plasse het eerste overzicht van alle tot nu toe in Nederland verschenen dagbladen met begin- en einddatum. Hij begint in 1618, toen de oudst bekende gedrukte Nederlandse krant verscheen: de Courante uyt Italien, Duytslandt, etc. Vandaar marcheert hij de persgeschiedenis door tot in de huidige tijd. Hij doet dat via de eerste illustratie (1744, in de Oprechte Haarlemsche Courant), de eerste rouwadvertentie (1793, in dezelfde krant), de eerste schaakrubriek (1846, in het Algemeen Handelsblad), de eerste kleurenfoto (1968, Haagsche Courant), en de eerste tekstopmaak per computer (1976, Brabants Nieuwsblad). Van recente datum zijn de grote dagbladfusies, de Internetedities (1995, deze krant als eerste landelijk dagblad), de introductie van de vele bijlagen en kleurenmagazines, en de komst van de gratis reizigerskranten Metro en Spits. Het boek besluit met een drietal onmisbare registers en met een overzicht van de oplage van regionale en landelijke kranten door de jaren heen.

Voor de geïnteresseerde zijn veel feiten meer dan hun simpele vermelding. Ze doen een beroep op kennis en verbeelding, op zoek naar het grotere verhaal erachter. Bijvoorbeeld dat van de teloorgang van de grote naoorlogse kranten Het Vrije Volk en De Waarheid. In een aantal gevallen vertelt Van de Plasse een dergelijk verhaal. Met zeven tamelijk willekeurige, beknopte intermezzo's verluchtigt hij zo de feitenreeks. In die hoofdstukjes komen onderwerpen als de openingskop, de geschiedenis van de verzuilde dagbladpers, en hardnekkige misverstanden aan bod. Een van de hardnekkigste: dat minister-president Colijn aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog het Nederlandse volk zou hebben bezworen dat het rustig kon gaan slapen. In werkelijkheid sprak hij woorden van die strekking vier jaar eerder, in maart 1936. Op het moment dat de oorlog uitbrak, was Colijn ambteloos burger.

Met het verdwijnen van de maatschappelijke scheidslijnen gebaseerd op levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, verdween ook de verzuilde dagbladpers. Deze ontwikkeling begon rond 1960. Nu is die verzuilde pers op een enkel regionaal relict na geheel verdwenen, maar nog in 1967 gebeurde wat thans ondenkbaar is: voor de Tweede Kamerverkiezingen gaven de meeste landelijke dagbladen een onversneden stemadvies.

Op haar best is journalistiek te beschouwen als het begin van de geschiedschrijving. Het zou daarom geen luxe zijn als historische kennis onder journalisten breder verspreid was. Die kennis biedt de journalist een ordenend kader, dat de waan van de actualiteit relativeert, de belangrijke feiten leert selecteren, en het oordeel scherpt. Bij die kennis hoort ten minste ook die van de eigen geschiedenis, de pershistorie. Dit stiefkind van de Nederlandse journalistiek, aldus Van de Plasse in zijn inleiding, heeft er met deze kroniek een waardevol naslagwerkje bij.

Jan van de Plasse: Kroniek van de Nederlandse dagbladpers.

Otto Cramwinckel Uitgever,

144 blz. ƒ29,50