Een katholiek in de wereld

De dichter Gabriël Smit schreef bij de vijftigste verjaardag van Anton van Duinkerken: `Hij was – als onvervalste Brabander – rooms genoeg om hem in roomse kring veel van zijn stoutigheden te doen vergeven; hij vertoonde als humanist naar buiten juist genoeg stoutigheid om daar zijn rooms-zijn vrijwel te excuseren, het in ieder geval met een zekere toeschietelijkheid te accepteren. Zij die het vergaven en op grond daarvan hem als gelijke in hun kring opnamen, kon het soms bitter tegenvallen: zo'n verstandige man en telkens toch weer hardnekkig rooms!' Smits stuk opende het aan Van Duinkerken gewijde huldenummer van het tijdschrift Roeping, waarin Van Duinkerken een kleine dertig jaar eerder zijn eerste gedichten en essays had gepubliceerd.

Van Duinkerken (pseudoniem van W.J.M.A. Asselbergs) was op zijn vijftigste een mastodont, niet alleen in rooms-katholiek Nederland, maar ook buiten de kring van zijn geloofsgenoten, in Nederland én Vlaanderen. Vooral in de periode 1930-1952 was hij een enorme intellectuele kracht in het culturele landschap, met een gezag dat tot ver buiten zijn directe kring reikte. In de omvangrijke biografie die Michel van der Plas nu aan hem wijdt, komt de rol van Van Duinkerken als intellectueel aan de orde, maar ligt de nadruk op zijn preoccupaties met het roomse geloof.

Aan het begin van zijn publicitaire activiteiten was Van Duinkerken een bescheiden priester-student op het grootseminarie in het Brabantse Hoeven. Zijn literaire werk uit die begintijd stelde nog niet veel voor: de verzen die hij publiceerde waren tamelijk traditioneel en religieus-humanitair; dat gold ook voor zijn verhalend en beschouwend proza. Van Duinkerken voegde Pierre H. Dubois ooit toe dat hij deze gedichten had geschreven `waarvoor Christus zich opnieuw zou laten kruisigen', waarop deze riposteerde: `Dat is nog niks, jij hebt gedichten geschreven waarvoor hij niet eens op aarde zou zijn gekomen!' Als dichter en prozaïst zou Van Duinkerken inderdaad altijd de mindere blijven van generatiegenoten als Jan Engelman, Albert Helman of Albert Kuyle, maar met zijn programmatische essaybundel Roofbouw (1928), en meer nog met Hedendaagse ketterijen (1929) kwam Van Duinkerken tot ontplooiing. Hij behield in deze bundels, en in wat nog zou volgen, de vanaf het begin aanwezige houding van een geloofsverdediger die het opneemt tegen de ketterijen van zijn tijd, het strijdbaar-roomse aspect waarop Gabriël Smit in bovenstaand citaat ook nadrukkelijk wees. In dit opzicht spiegelde Van Duinkerken zich aan de Engelse proseliet G.K. Chesterton, aan wie hij in Roofbouw een aantal belangrijke stukken wijdde.

Biotoop

Als Van Duinkerken begin 1929 op 26-jarige leeftijd ook nog eens toetreedt tot de redactie van het belangrijkste rooms-katholieke jongerentijdschrift De Gemeenschap en aan het einde van dat jaar kunstredacteur van het dagblad De Tijd wordt, ontwikkelt hij zich in verbazingwekkend korte tijd tot de voornaamste woordvoerder van zijn generatie. Van Duinkerken zwaaide niet alleen de scepter binnen de kunstredactie van die krant, maar speelde ook een voorname rol in tal van andere verenigingen en periodieken. Hij beperkte zich daarbij niet tot zijn roomse biotoop, maar zijn bemoeienissen strekten zich ook uit tot een aantal niet-christelijke organisaties. Zo werd hij als eerste en voorlopig enige katholiek begin 1934 redacteur van het voorname liberale tijdschrift De Gids: een voor beide partijen opmerkelijke stap. Hij hield zich niet alleen bezig met literatuur, maar manifesteerde zich op politiek terrein als luis in de pels van de R.K. Staatspartij.

De in Bergen op Zoom geboren Van Duinkerken wist al jong dat hij priester wilde worden. Op het grootseminarie zag hij na een aantal diepe crises uiteindelijk in dat het hem niet gegeven was zich te voegen in het strakke keurslijf van een religieuze loopbaan. Jan Engelman, een van de oprichters van De Gemeenschap en al snel een vertrouwde vriend, raadde de seminarist kort na hun kennismaking in 1924 al aan het stringente roomse regime bij gelegenheid los te laten en eens een Dada-avond bij te wonen en `de wandluizen uit het volkslogement van een groote stad over je huid te voelen kruipen'.

In februari 1925 kreeg Van Duinkerken door zijn kerkelijke superieuren een schrijf- en publicatieverbod opgelegd. Zijn literaire werk, dat aanvankelijk oogluikend was toegestaan, werd in Hoeven uiteindelijk toch onverenigbaar geacht met het priesterschap. Na een jaar van twijfel liet Van Duinkerken de priesteropleiding met spijt achter zich, wat betekende dat hij zich een bestaan ín de wereld moest zien te veroveren. Van der Plas schrijft veel van Van Duinkerkens publicitaire en organisatorische activiteiten toe aan deze strijd om het naakte bestaan. Het zal zeker hebben meegespeeld, maar een dergelijke opvatting miskent toch de onbedwingbare drang van Van Duinkerken zich te manifesteren als dichter en essayist.

Van Duinkerken was van april 1927 tot en met maart 1928 redacteur van Roeping. Ook hiervoor ziet Van der Plas vooral economische motieven, terwijl juist de ethische richting van het tijdschrift de pas uitgetreden seminarist moet hebben aangesproken. Zijn bundel Onder Gods ogen (1927) lijkt de dichterlijke apotheose van deze periode in zijn leven. Engelman zou deze bundel in De Gemeenschap afdoen met de opmerking dat Van Duinkerken slachtoffer was van de opvatting `dat het een misdaad is het woord te dienen als men het woord hanteert'. Kort daarop zou Van Duinkerken desondanks in het Gemeenschap-kamp belanden. Zijn Verdediging van carnaval (1928), door hem als een `zelfbevrijding' gezien, markeert zijn overgang van Roeping naar De Gemeenschap. Van De Gemeenschap werd hij de strijdbaarste redacteur, vooral als eind 1933 de redacteuren die de oplossing van de crisis zochten in rechts-radicale richting, de redactie verlaten en onder de titel De Nieuwe Gemeenschap een concurrerend tijdschrift oprichten. Hoewel Van Duinkerken een beslissende rol speelde bij dit vertrek, probeerde hij op een hem kenmerkende manier lang de tegenstellingen te verzoenen. Na de afsplitsing van De Nieuwe Gemeenschap heette het in dat tijdschrift over hem: `A. van Duinkerken, verloor (...) zijn vroegere strijdkracht, mede onder invloed van de talrijke, door hem uitermate op prijs gestelde, gevestigde connecties'. Dat was een miskenning van Van Duinkerkens capaciteit de grenzen tot het uiterste te verkennen. Dat hij die grenzen uiteindelijk schroomde te overschrijden, is misschien fnuikend geweest voor zijn volle ontplooiing, het zorgde er wel voor dat hij zijn invloed maximaal kon aanwenden.

Zo wordt er vaak schamper gedaan over het feit dat de rooms-katholieke leden van het Comité van Waakzaamheid op een gegeven moment door de roomse hiërarchie gedwongen werden dat comité te verlaten; Van Duinkerken volgde dit aartsbisschoppelijk bevel weliswaar op, maar zag er ondertussen geen been in om nog een vlugschrift over de verhouding tussen rooms-katholicisme en nationaal-socialisme als publicatie van het comité te laten verschijnen.

Trilogie

Na de oorlog moest Van Duinkerken om hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen te kunnen worden, zijn lidmaatschap van de Partij van de Arbeid opzeggen. Als polemist verdween hij achter het hoogleraarschap, dat ook zijn actieve literaire loopbaan afsloot.

Van der Plas' biografie van Van Duinkerken is het slotdeel van een in 1990 begonnen trilogie over voor de emancipatie van het rooms-katholieke volksdeel belangrijke figuren. Na het eerste deel dat aan Guido Gezelle gewijd was, publiceerde hij in 1995 nog een biografie over J.A. Alberdingk Thijm.

Zijn boek over Van Duinkerken is een aangenaam, zij het wat vlak geschreven en hier en daar slordig boek, waarin het leven van Van Duinkerken strikt chronologisch wordt gevolgd. Van der Plas heeft zeker geen hagiografie geschreven, maar het is te merken dat het hem moeite heeft gekost afstand tot zijn onderwerp te bewaren. Dat wreekt zich in het ontbreken van een scherpe analyse van Van Duinkerkens ideeën en acties. Diens sociale, en tot festiviteiten geneigde persoonlijkheid komt goed naar voren, evenals zijn een breed publiek aansprekende talent als redenaar. Het is Van der Plas dan ook niet helemaal aan te rekenen dat hij vooral de charme en de roomse blijmoedigheid van Van Duinkerken benadrukt.

Van der Plas' doelstelling met deze biografie is blijkens zijn inleiding tweeledig: enerzijds zoveel mogelijk recht te doen aan Van Duinkerkens godsdienstige overtuiging, anderzijds hem te schetsen in het breder verband van de Nederlandse samenleving als geheel. Beide aspecten komen weliswaar aan de orde, maar de nadruk ligt op het eerste element. Zoals gezegd, overstijgt Van Duinkerkens intellectuele belang het roomse kamp. Door zijn polemische aard trad hij regelmatig in de ring om zijn opvattingen zowel binnen als buiten de rooms-katholieke kerk te verdedigen. Hij had niet altijd gelijk, maar in de periode tussen de wereldoorlogen met haar talrijke sociale en politieke woelingen koos hij toch opmerkelijk vaak een onberispelijk standpunt: of het nu was in het verzet tegen het opkomende fascisme, bij de voorbereiding door een aantal roomse intellectuelen van een sociaal en politiek programma als antwoord op de economische crisis, of in zijn tegen de hoofdstroom van het katholieke volksdeel ingaande houding tijdens de Spaanse Burgeroorlog.

Hoewel Van der Plas een enorme hoeveelheid brieven en andere documenten heeft bestudeerd, baseert hij zich voor de beginperiode sterk op Van Duinkerkens veel later geschreven memoires Brabantse herinneringen, zonder de noodzakelijke voorzichtigheid die het gebruik van een dergelijke, mogelijk vertekende bron vergt. Hij had daarnaast het nadeel, dat Van Duinkerkens vormingsjaren tot 1929 door André Roes met zijn degelijke Een schaduw die verschuift (1984) uitgebreid behandeld zijn, en dat ook de jaren van De Gemeenschap door Harry Scholten in Aspecten van het tijdschrift De Gemeenschap (1978) grondig zijn onderzocht. Het gras uit deze in Van Duinkerkens leven belangrijkste periode, is Van der Plas dus min of meer voor de voeten weggemaaid. Aan genoemde studies nog iets toe te voegen, vergt een specialistische diepgang welke van een biograaf niet gevraagd kan worden. Van een biograaf mag je echter wel verwachten dat hij een scherp inzicht biedt in het hoe en waarom van iemands ontwikkelingsgang. De analyse die daarvoor nodig is, ontbreekt.

Michel van der Plas: Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek. Biografie van Anton van Duinkerken (1903-1968). Anthos/Lannoo,

643 blz. ƒ89,50 (geb.)

    • Sjoerd van Faassen