Drinken en ritselen in Estland

Het zijn drinkebroers, zegt men over de Esten. Ze wonen in houten huizen en liggen al decennia lang met de Russen in de clinch. Uit het nieuwe boek van Carolijn Visser blijkt dat dit niet louter sprookjes zijn. Misschien is het daarom dat Uit het moeras begint met een novelle, die je kunt lezen als een kort, boeiend lesje Estlandse geschiedenis van de vorige eeuw. Tegelijkertijd is het een prachtig kort verhaal, waarin sympathieke personages zich teweer stellen tegen de grillen van politiek en geschiedenis.

De intrigerende eerste zin luidt: `Het merkwaardigste was niet eens dat zijn vader een Chinees was, maar dat zijn vader zo snel uit zijn leven was verdwenen.' Geen openingszin van een reisverhaal, dat is duidelijk. De man die in deze bewoordingen over zijn vader nadenkt, is de Est Aavo. Behalve een handjevol brieven uit China, een oud blikje met kleurpotloden en een Chinese parasol heeft Aavo niets dat hem eraan herinnert dat hij een vader heeft. `Aavo en zijn overgrootmoeder Juulia vormden een exotisch tafereel in het groene Estlandse landschap', schrijft Visser op de eerste bladzijde, `een half Chinees kind en een grijze vrouw onder een hemelsblauwe parasol waarop pioenrozen geschilderd waren. Werknemers van de kolchoz keken nog eens om als ze hen in hun vrachtwagen voorbijreden.'

Aavo groeit op bij zijn moeder, een scheikundige die carrière maakt binnen de communistische partij, en brengt zijn weekends, in gezelschap van zijn grootouders, door op kolchoz De Vooruitgang, in het dorp Kurtna, niet ver van de hoofdstad Tallinn. Water halen uit de put, hout hakken in het bos, aalbessen plukken en op zaterdag de sauna opstoken voor de wekelijkse wasbeurt – `dat was allemaal niets bijzonders, sinds mensenheugenis leefden Estlandse boeren zo.' 's Avonds vertelt overgrootmoeder hem over haar betrekking van dienstmeisje op het kasteel van een Duitse barones. Dat was nog voor 1918, toen de Duitse adel het in de Baltische staten voor het zeggen had. Grootmoeder daarentegen koestert de herinnering aan 22 jaar republikeinse onafhankelijkheid (1918-1940). Beiden hebben geen goed woord over voor de communistische carrière van Aavo's moeder. Met grove streken schetst Visser de geschiedenis van een land, dat van de ene op de andere generatie radicaal verandert, waardoor er binnen één familie onoverbrugbare tegenstellingen ontstaan. Aavo groeit op onder het Russische bewind. Hij wordt snabzenets (inkoper, ritselaar) bij een staatswegenbouwbedrijf, wat hem in staat stelt flink wat te verdienen met zwarte handel – aardappelen, benzine, biefstukken, auto-onderdelen. Op één van zijn inkoopreizen door Letland hernieuwt de twintigjarige Aavo het contact met het dertienjarige Letse meisje Daina. Haar vader verdronk, met een flinke slok op, in het kanaal van Riga en haar moeder probeert als scheikundelerares de eindjes aan elkaar te knopen. Het zijn `mensen zonder contacten'. Daina kookt, naait, zorgt voor haar zusje, hakt het hout en is op school leergierig en ambitieus – een buitenbeentje. Een paar jaar later trekt ze bij Aavo in, met wie ze in het huisje van de sauna een eigen bedoeninkje begint en twee dochters krijgt. Met bovenmenselijke energie weet Daina niet alleen de vervallen boerderij draaiende te houden, maar ook haar schoonouders te verzorgen.

Wat Aavo en Daina in dit verhaal tot sympathieke personages maakt is hun jeugdige ondernemingslust, hun rotsvaste overtuiging in de toekomst en de onorthodoxe initiatieven die zij ontplooien tegen de stroom in. Is er thuis gebrek aan vlees? Daina gaat kalveren houden in de schuur. Haalt iedereen in de kolchoz water uit de put? Aavo sluit de eerste kraan van het dorp aan. Krijgt niemand een visum voor het buitenland? Aavo en Daina gaan naar China, op bezoek bij de hervonden vader van Aavo. Daar eindigt plots de novelle over Aavo en Daina en begint het verhaal van Carolijn Visser. Jammer dat de schrijfster niet dezelfde vorm heeft gehandhaafd. Het ritme vertraagt, details worden belangrijker, de observaties van de schrijfster bepalen de sfeer. Het verhaal diende slechts als introductie. Daina en Aavo blijken Estlandse vrienden van de schrijfster te zijn en in wier dorp zij zelfs een jaar woonde. Wie Vissers verhalenbundel Brandend zout las, wist dat natuurlijk al. De drie verhalen over Estland komenterug in Uit het moeras.

Met de belangstelling die Visser in al haar reizen aan de dag legt, beschrijft zij de aardverschuiving die het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in het Estlandse leven met zich mee bracht. Neem het leven in de kolchoz dat gewoon doordraait, totdat alle gebouwen voor een habbekrats te koop zijn. Of de eerste in euforie opgerichte privé-bedrijfjes die kort daarna op de fles gaan. Drank, diefstal en lange vakanties, erfenissen uit de sovjettijd, gaan niet samen met kapitalistische efficiëntie. Familieleden ruziën om oud bezit, vrienden worden concurrenten. Welke taal iemand spreekt wordt ineens van belang. De Rus mag dan geen bezetter meer zijn, hij blijft een steeds terugkerende factor in het bestaan. De toch al niet zo vrolijke Est wordt ronduit neerslachtig. Ook Vissers vrienden raken gedesillusioneerd door hun mislukte ondernemerschap. `We zijn hier allemaal vermalen door de geschiedenis', zegt Daina, `het verleden heeft ons tot verknipte mensen gemaakt'. In het bekendste boek uit de Estlandse literatuur, Wargamäe, probeert een jong stel boeren een bestaan op te bouwen op de zompige aarde, maar uiteindelijk gaan alle inspanningen, alle dromen, ten onder in het veen. Of de jonge generatie Esten erin zal slagen uit het moeras te geraken, laat Carolijn Visser in het midden.

Carolijn Visser: Uit het moeras. Meulenhoff, 287 blz. ƒ34,90