Zeepaardjes, gifkikkers en koehandel

De handel in bedreigde plant- en diersoorten is deze week onderwerp van onderhandelingen in VN-verband. Helpt de verkoop van ivoor olifanten nu wel of niet?

Noorse walvisvaarders, Japanse juweliers en Nederlandse handelaren in reptielen wachten vol spanning. Maar de giervalk, de Nijl-krokodil en de coelacant weten nog van niks. In de Keniaanse hoofdstad Nairobi vergaderen meer dan 2.500 gedelegeerden uit 151 landen sinds maandag over de handel in bedreigde plant- en diersoorten. Ze beslissen de komende week over het lot van zeldzame insecten, amfibieën en reptielen, al wordt het debat door de grote zoogdieren – olifanten, walvissen – gedomineerd.

Sinds 1973 komen ze elke tweeëneenhalf jaar bij elkaar: de landen die het VN-verdrag voor de handel in bedreigde plant- en diersoorten (CITES) hebben getekend. Het akkoord heeft twee aanhangsels die in feite de ruggengraat vormen. Aanhangsel 1 is een lijst van 900 met uitsterving bedreigde soorten waarin niet mag worden gehandeld: ruim 300 planten en bijna 600 dieren. Aanhangsel 2 is een lijst van ruim 29.000 zeldzame soorten waarvan de handel streng is gereguleerd.

Deze week buigen de afgevaardigden zich over 62 voorstellen om die bijlagen aan te passen. Soms wordt voorgesteld om een nieuwe soort of subsoort toe te voegen aan een van de lijsten, zoals bij het Nederlands-Amerikaanse plan om de handel in de gifkikkers van Madagascar aan banden te leggen. Soms gaat het om het schrappen van een soort die niet langer als bedreigd wordt beschouwd. En dan zijn er ook nog de verschuivingen, van aanhangsel 2 naar aanhangsel 1, of omgekeerd.

Volgens secretaris-generaal Willem Wijnstekkers van CITES zouden de discussies in Nairobi een zuiver wetenschappelijk karakter moeten hebben. De handel in bedreigde diersoorten zou op basis van feiten en cijfers moeten worden geregeld. Maar de werkelijkheid is vaak anders, erkent hij. Landen hebben tegengestelde belangen. Commercie en natuurbescherming botsen. Conserveringsvisies staan tegenover elkaar.

Olifanten zorgen al jaren voor de grootste controverse. In 1989 besloten de ondertekenaars van CITES tot een algeheel verbod op de handel in ivoor en olifantenhuiden. Dat gebeurde nadat in de jaren zeventig en tachtig het aantal olifanten tot 650.000 was gehalveerd. Het verbod leidde tot het ineenstorten van de ivoorhandel, en sindsdien is het aantal olifanten weer gestaag gestegen. Zimbabwe, Botswana, Namibië en Zuid-Afrika kampen inmiddels met een overschot aan dikhuiden. Volgens de regering van Botswana telt het land met 160.000 olifanten al meer dan drie keer zoveel dieren als het kan voeden zonder blijvende schade aan de natuur. Zonder ingrijpen groeit dat aantal met vijf procent per jaar.

Voor de ondertekenaars van CITES was dat drie jaar geleden reden om drie van die landen eenmalig toestemming te geven voor de verkoop van ruim 55 ton ivoor. Streng gereguleerd, met Japan als enige afnemer. Waarnemers van CITES roemden dat experiment vorige maand nog als ,,een groot succes'. Het verkochte ivoor kwam uitsluitend van dieren die een natuurlijke dood waren gestorven of die waren afgeschoten in het kader van natuurbeheer. De opbrengst van vijf miljoen dollar ging naar de bescherming van de resterende dieren en naar de gemeenschappen die van oudsher voor een deel van de olifantenjacht afhankelijk zijn. Maar Amerikaanse natuurbeschermingsorganisaties noemden die verkoop ,,de conserveringsblunder van de eeuw' omdat de verkoop van ivoor hoe dan ook tot stropen zou leiden.

Voor- en tegenstanders staan deze week opnieuw tegenover elkaar. Zuid-Afrika, Zimbabwe, Botswana en Namibië willen toestemming voor een tweede, beperkte verkoop van in totaal 54 ton ivoor. Ook vragen ze om de handel in olifantenhuiden, goederen van olifantenleer en jachttrofeeën voortaan toe te staan. Volgens de Zimbabweaanse minister van Milieuzaken, Simon Moyo, komt die handel de olifanten uiteindelijk alleen maar ten goede. Want ook dit keer zal de opbrengst worden gebruikt voor wildbeheer en de ontwikkeling van plattelandsgemeenschappen. Door de lokale bevolking van de opbrengst te laten meeprofiteren, zei Moyo, wordt het draagvlak voor de bescherming van de olifanten vergroot.

Kenia en India pleiten juist voor herinvoering van het algeheel verbod op de handel in olifantenresten. Ze zeggen dat de eenmalige verkoop tot een opleving van de illegale ivoorhandel heeft geleid omdat het onmogelijk is te controleren hoe een handelaar aan zijn ivoor is gekomen. Volgens de autoriteiten in Nairobi is het stropen in Kenia het afgelopen jaar weer sterk toegenomen. Bij de Aziatische olifanten beschikken alleen de mannetjes over slagtanden, anders dan bij hun Afrikaanse soortgenoten. Als gevolg van de olifantenjacht in het verleden zijn er in India honderd keer zoveel vrouwtjes- als mannetjesolifanten, waardoor de soort in die regio nog steeds met uitsterving bedreigd wordt.

Alleen een algeheel verkoopverbod werkt. Dat is ook het argument van veel landen tegen het verzoek van Japan en Noorwegen om het handelsverbod op walvissen te versoepelen. De twee landen zeggen dat van de twaalf grote walvissoorten er slechts tien hoeven te worden beschermd. De twee andere soorten zijn niet langer zeldzaam. Beperkte jacht zou moeten worden toegestaan. Maar tegenstanders betogen dat ook de bedreigde soorten onder zo'n versoepeling zouden lijden, omdat het verschil tussen de soorten walvisvlees alleen met DNA-onderzoek kan worden vastgesteld.

De koehandel over de lijsten van beschermde planten en dieren overschaduwt de meer algemene discussies over een reeks van alarmerende rapporten. Uit één van die onderzoeken blijkt dat stropen het voortbestaan van tijgers, neushoorns en beren nog steeds bedreigt, ondanks een algeheel handelsverbod dat de CITES-leden eerder hebben afgekondigd. Volgens een ander rapport is het aantal zeepaardjes de laatste vijf jaar met misschien wel driekwart teruggelopen. Zeepaardjes zijn gewild als ingrediënt voor medicijnen en als sieraad voor het aquarium.

Neushoorns

Het kaartje bij het artikel Zeepaardjes, gifkikkers en koehandel (in de krant van donderdag 13 april, pagina 5) was onbegrijpelijk door het wegvallen van een steunkleur. Daardoor leek het of de zwarte neushoorn vroeger in heel Afrika voorkwam. Dat was niet het geval.

    • Dick Wittenberg