Unieke Britse smaadwetgeving verdient hoognodig aanpassing

De uitspraak in het veelbeproken Irving-proces in Groot-Brittannië heeft duidelijk gemaakt dat de Holocaust niet kan worden ontkend. Maar tevens heeft deze zaak volgens Jonathan Eyal nog eens aangetoond dat een hervorming van het Britse rechtssysteem gewenst is.

Met een langzame, afgemeten spreekstem, en een in ruim 300 pagina's hecht doortimmerd betoog, heeft een Londense rechter afgelopen dinsdag een historisch vonnis uitgesproken. Het vonnis gold David Irving, een Britse schrijver die beweert historicus te zijn.

Irvings historische visie is nogal ongewoon: hij beweert dat de gaskamers in de concentratiekampen nooit hebben bestaan, dat Hitler vrijwel niets van de massamoorden heeft afgeweten en dat de omgekomen joden (,,waarschijnlijk een miljoen, misschien vier miljoen maar zeker geen zes miljoen'') meest aan ziekten zijn overleden. Hoewel de rechter er uitdrukkelijk op wees dat de Holocaust zelf niet in het geding was, vormde zijn vonnis, waarmee hij Irving brandmerkte als racist, antisemiet en medestander van neo-nazi's, een triomf in de strijd tegen hen die de realiteit van die ontzaglijke misdaad ontkennen.

Dit maakt zijn proces tot een monumentale mijlpaal. Maar zuiver technisch beschouwd was de confrontatie in het Londense High Court ook een door en door Britse aangelegenheid, een nevenproduct van de wetgeving over belediging die veelvuldig tot dit soort confrontaties leidt.

Het recht de eigen goede naam te verdedigen tegen onbewezen uitlatingen bestaat in alle democratieën. Ook het onderscheid tussen het recht van vrije meningstuiging en het recht op verweer tegen aantasting van eer en goede naam wordt algemeen erkend. Veel Europese en Amerikaanse rechtsstelsels gaan met de voortdurende spanning tussen deze twee rechten om door alleen die aantijgingen als beledigend aan te merken die opzettelijk worden geuit, hoewel bekend is dat ze onwaar zijn.

Een unieke uitzondering op deze regel is Groot-Brittannië, een land zonder grondwet en zonder scherp omlijnd recht op vrijheid van nieuwsgaring, maar met draconische wetten inzake laster, smaad en belediging. Het doet niet ter zake of een beschuldiging met opzet is geuit of niet: als ze niet kan worden bewezen is er sprake van belediging. Ook doet het niet altijd ter zake of de betrokkene een Brit is dan wel of de beschuldiging in Groot-Brittannië is geuit; hoe gering het `Britse' element in een zaak ook is, een Britse rechter zal die ontvankelijk verklaren.

En tot slot is het gehele gebeuren ook nog onvoorspelbaar: in beledigingszaken beslissen de twaalf juryleden niet alleen over schuld of onschuld, zij stellen ook de hoogte van de schadevergoeding vast.

Men kan stellen dat de Britse wetgeving inzake belediging niet zonder verdienste is als ze leidt tot processsen zoals dat tegen David Irving. Helaas is dat niet zo. Irving mag ongehinderd doorgaan met de publicatie van zijn onzin. De rechtszaak was het gevolg van Irvings klacht tegen een Amerikaanse historica - een klacht waarmee hij bij geen Amerikaanse rechtbank had moeten aankomen. Bovendien werd Irvings klacht zonder jury behandeld, op grond van een bepaling die stelt dat een rechter uitspraak mag doen in zaken die ,,te ingewikkeld'' zijn.

Wellicht zou een jury tot hetzelfde oordeel zijn gekomen, maar we mogen dankbaar zijn dat we dat niet hebben hoeven ondervinden. Irving is uiteindelijk het slachtoffer geworden van weer een ander facet van de Britse rechtsgang. Hoewel in beledigingskwesties de bewijslast rust op degene die de aantijging doet, kunnen de kansen plotseling keren en kan hij of zij zelf de beklaagde worden. Deborah Lipstadt, de Amerikaanse academica die in deze zaak werd aangeklaagd, bewees dat de beweringen die ze tegen Irving had geuit, waar waren.

Zij, dat wil zeggen haar advocaten, deden dat door een verscheidenheid aan bronnen over te leggen, waaronder een racistisch gedichtje dat Irving voor zijn dochter had geschreven, bewijzen dat hij neonazistische bijeenkomsten had bijgewoond, en zijn dagboeken. Irving hoopte aan te tonen dat zijn publicaties niet racistisch waren, maar moest vervolgens ervaren hoe zijn hele leven werd uitgeplozen en een consequent patroon van racisme en antisemitisme liet zien.

Hij is en blijft een bij uitstek weerzinwekkende figuur, maar wat hem is overkomen is in wezen hetzelfde wat Oscar Wilde in de 19de eeuw overkwam, en meer recent een reeks Britse ministers. Zij togen naar de rechter in de overtuiging het geding tot één kwestie te zullen beperken, en bij elk van hen werd hun hele leven geanalyseerd en verwoest. Irving verdient geen meelij, anderen die zijn lot ondergingen verdienen dat wel.

Het voeren van dit soort processen blijft een exclusieve liefhebberij voor wie rijk of beroemd is of de juiste contacten heeft. Mevrouw Lipstadts verdediging heeft meer dan zes miljoen gulden gekost en van Irving, die zichzelf verdedigde, wordt gezegd dat hij was aangewezen op donaties van vrienden - lieden of organisaties die wel even sympathiek zullen zijn als hij zelf. Over het geheel genomen zijn Britse smaadprocessen een smulpartij voor de media, waarin popsterren, miljardairs of politici discussiëren over de bijzonderheden van hun diverse seksuele verrichtingen met goedbetaalde advocaten als intermediairs.

Van mensen zonder geld worden intussen nog steeds de carrières geknakt en inbrengers van terechte beschuldigingen wordt effectief de mond gesnoerd. Het is verleidelijk aan te nemen dat de waarheid omtrent Irving ooit toch wel aan het licht zou zijn gekomen, maar had mevrouw Lipstadt het zonder haar financiële steun moeten stellen, dan is de kans groot dat Irving had kunnen beweren dat hij gelijk had gekregen. Het vonnis dat de Britse rechter deze week heeft uitgesproken is weliswaar van historische betekenis, maar het elimineert niet de behoefte aan EU-wetgeving tegen hen die de Holocaust ontkennen, zoals die in Duitsland bestaat. En evenmin ondervangt het de hoognodige hervorming van de Britse wet.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.