Superieur zwalken door Washington

Amerikaanse steden staan niet bekend om hun aantrekkelijkheid voor fietsers. De auto heeft het er meestal voor het zeggen. Voor andere weggebruikers heeft men weinig geduld en nog minder begrip. Een fietsbel komt er niet boven de herrie uit. Stallingen zijn schaarser dan parkeerplaatsen voor verlengde limousines. En fietspaden zijn hier meer iets voor the great outdoors dan voor de binnenstad.

Er zijn gunstige uitzonderingen. San Francisco heeft, ondanks alle steile hellingen, een flink aantal fietsers. Regelmatig zijn ze massaal in het nieuws met demonstraties voor meer rechten en betere voorzieningen, maar er bestaan toch al heel wat mooie en snelle routes. Chicago heeft niet alleen The Bicycle Museum of America (met valet parking voor fietsen), maar ook een fraai fietspad van bijna dertig kilometer dat langs Lake Michigan slingert.

Zelfs Los Angeles, de hoofdstad van car country, heeft een befaamde fietsroute: de South Bay Bicycle Trail, die langs stranden, jachthavens en de internationale luchthaven loopt. En voor wie Washington wil bekijken, de statige stad aan de Potomac met haar enorme monumenten en klassieke gebouwen, is de fiets zelfs een ideaal vervoermiddel. Nieuwsgierigheid op wielen in een wereld van machtig marmer en dramatische vergezichten.

,,Bye now'', zegt een koerier voor hij de lift van de metro verlaat, op zijn zadel springt en zich soepeltjes tussen het rijdende blik begeeft. ,,En wees voorzichtig.'' Als fietser van beroep kent hij de risico's. Grote gaten in het asfalt van slecht onderhouden straten. Automobilisten met een blinde vlek voor alles op twee wielen. Dansende rollerbladers. En toeristische medefietsers die afgeleid worden door de bezienswaardigheden links en rechts. Als het even kan neemt deze koerier de metro, met fiets en al. Maar hij mist veel.

De rivier bijvoorbeeld. Het water stroomt traag, de oevers liggen ver uiteen en het fietspad kronkelt mee. Een stukje bos en stille strandjes aan de overkant. De zoete geur van bloesems in de frisse tegenwind. Op vijf minuten van het stadsgewoel heerst hier een diep soort rust, die zelfs door landende vliegtuigen niet helemaal wordt verstoord.

Washington is groots opgezet, als een stad om respect af te dwingen en met trots te vervullen – Athene in Amerika. Vanaf de rivier zie je de allure het best. Het enorme Capitool met zijn stralend witte koepel. De scherpe obelisk ter ere van George Washington. De rechthoekige zuilentempel voor Abraham Lincoln. De ronde zuilentempel voor Thomas Jefferson. De vijvers, de fonteinen. Het grasveld en de bomen van de National Mall, omringd door musea en regeringsgebouwen die eruit zien als elegante kazernes.

Dit deel van de stad is één grote uitstalkast van monumenten en grandeur, een park voor versteende nationale herinneringen en ambities. De grootschaligheid die daarbij hoort maakt alleen dat het niet goed beloopbaar is. Er is veel moois te bekijken, maar hoe doe je dat als de menselijke maat zo duidelijk tekortschiet?

Dagelijks kiezen duizenden voor een tourbus, die vermomd als oude tram langs bezienswaardigheden ronkt. Nog eens duizenden gaan toch maar te voet, maar zij missen het overzicht. Fietsers, het zijn er zelden veel, zijn beter uitgerust voor een bezoek aan de nogal verspreide monumenten. In hun eigen tempo glijden ze langs de voortsjokkende wandelaars.

Van Lincoln, die zes meter hoog in wit marmer in zijn tempel zit, peddel je naar Franklin Delano Roosevelt, die herdacht wordt met een compleet beeldenpark met watervallen en uit steen gehouwen citaten. Van Jefferson, die soeverein staat uit te kijken op het Witte Huis, naar negentien soldaten van de Koreaanse oorlog, uitgevoerd in roestvrij staal, die voor eeuwig voortsjokken in de denkbeeldige kou en regen van het oorlogsgebied. En van de Wall, de glanzend zwarte muur waarin de namen gegraveerd zijn van alle 58.000 Amerikaanse militairen die zijn gesneuveld in de Vietnam-oorlog, naar the people's house, het Witte Huis.

De president is thuis zei de krant vanmorgen, maar er zit niemand op het Truman-balkon dat uitkijkt over de Mall. Het gras is groener dan groen, de tulpen pronken met hun felle kleuren en het zenuwcentrum van de Amerikaanse macht staat wit te blinken in de zon. Het huis is veel te klein voor de titel presidentieel paleis: je fietst in een paar minuten om het hele terrein heen. Voor de hoofdbewoner zal er ook vandaag wel weer geen fietstochtje langs de Potomac of de monumenten inzitten.

Het is hier wat drukker dan bij de monumenten. Fietsers moeten niet alleen oppassen dat ze geen toeristen van de sokken rijden, in deze straten lopen ook ambtenaren en politici rond, een enkele demonstrant voor of tegen het eind van de wereld, wat skateboarders, journalisten en verkopers van presidentiële T-shirts, mokken en andere prullaria. Het statige aanzien van the nations capital is hier gekruid met een vleugje kermissfeer.

Niemand ontkomt in deze stad aan een `Washington Moment' zo nu en dan, een korte ontmoeting met een bekend gezicht uit de politiek. Een fietser die gedachteloos door het stille straatje rijdt tussen het Witte Huis en het ministerie van Financiën, moet even plaats maken voor een donkere auto met zwaailicht die het erf opdraait. Op de achterbank zit minister van Financiën Larry Summers, telefoon aan het oor, hoofd ongetwijfeld vol zorgen over het onvoorspelbare gedrag van Wall Street, jaloerse blik op de vrije fietser in de voorjaarszon.