Oproep DNB is `beetje onzin'

Financiële conglomeraten reageren kritisch op de roep van De Nederlandsche Bank om scherper toezicht. ,,Dit is geen louter Nederlandse aangelegenheid meer.''

Vertoont de controle op de financiële conglomeraten in Nederland inderdaad ,,blinde vlekken'', zoals toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) meent? Of zoeken toezichthouders geforceerd nieuwe wegen om hun tanende invloed overeind te houden?

Dat laatste, vermoedt H. Hielkema, lid van de raad van bestuur van de Fortis-groep. Het was onder andere deze instelling waarop prof. A. Schilder, directeur toezicht bij DNB, doelde toen hij gisteren in deze krant constateerde dat de controle op financiële conglomeraten als Fortis, ING en SNS ,,niet meer van deze tijd'' is.

Volgens hem vertoont het toezicht hiaten omdat de betrokken instellingen naast bankieren (onder toezicht van DNB) en verzekeren (onder toezicht van de Verzekeringskamer, de VK) ook activiteiten ontplooien waarop controle onmogelijk is; in het buitenland bijvoorbeeld, en deelnemingen in niet-financiële bedrijven. Ook vindt hij dat de toezichthouders ,,te weinig grip'' hebben op het eigen vermogen van de holding. Hij wil gedurende twee jaar een proef houden met teams, waarin vertegenwoordigers van diverse toezichthouders, die op holdingniveau controle uitoefenen.

In het geval van Fortis, een Belgisch-Nederlandse onderneming, is dat allemaal ,,een beetje onzin'', betoogt Hielkema. ,,Onze financiële tak valt onder de Belgische toezichthouder en die kan prima zien hoe het met vermogen van de holding staat. Dat DNB dat inzicht blijkbaar niet heeft kan ik ook niet helpen. Dan moeten ze afspraken maken met de Belgische toezichtscollega's.''

Met nadruk wijst Hielkema op ,,de gevolgen van de Europese eenwording'', daarmee de stelling onderstrepend dat toezichthouders per definitie achter de feiten aanlopen. De bewegingen in de financiële wereld gaan tegenwoordig immers zo snel dat de controlerende organen in Europa nauwelijks tijd hebben zich daarnaar te richten.

Nederland kent naast de centrale bank en de Verzekeringskamer wel de toezichthouder STE (effectenhandel) en NMA (mededinging), maar die hebben allemaal eigen verantwoordelijkheden. En DNB, VK en STE praten weliswaar met elkaar in de Raad van Financiële Toezichthouders (RFT), maar dit is vooral een overlegplatform, geen krachtige toezichthouder met brede bevoegdheden.

Daar komt, zoals bij Fortis, ook een buitenlandse component bij. ,,Dat is nou eenmaal het gevolg van internationaal opererende conglomeraten'', constateert Hielkema. ,,Ik zie ook best wel de moeilijkheden die dat voor toezichthouders oplevert. Maar het is natuurlijk geen oplossing om toezicht op toezicht te stapelen en zo meer bureaucratie te scheppen.''

Bij een ander groot financieel conglomeraat, de Internationale Nederlanden Groep (ING), is zowel een bankpoot (ING/Postbank) als een verzekeringstak (Nationale-Nederlanden) in Nederland gevestigd. Maar ook bij ING wijst men op de internationale component en het feit ,,dat Nederland natuurlijk geen eiland is''. De ING-woordvoerster wijst erop dat de toezichtstructuur nu in een protocol is geregeld, maar dat ING ,,als er echt blinde vlekken zijn'' bereid is dat protocol aan te passen: ,,Ook wij zijn gebaat bij goed toezicht. Maar het is geen louter Nederlandse aangelegenheid meer.''

Hielkema stelt dat internationale samenwerking tussen toezichthouders ,,onvermijdelijk'' zal leiden tot verlies van invloed voor individuele controleapparaten: ,,Vanuit dat standpunt begrijp ik dat DNB zich wil profileren.''

Ook prof. C. Koedijk, hoogleraar economie, noemt het verklaarbaar dat diverse toezichthouders hun terrein proberen af te bakenen: ,,Maar praktisch gezien zou het toezicht natuurlijk gewoon in één hand moeten komen. Schotten tussen verzekeraars en banken zijn weg, dus de Verzekeringskamer zou eigenlijk bij De Nederlandsche Bank ingeschoven moeten worden. Daar is de kennis van de markt het sterkst.''

Koedijk noemt de Raad van Financiële Toezichthouders ,,puur objectief beschouwd natuurlijk een gedrocht. Inhoudelijk is er geen enkele reden om het toezicht zo versnipperd te houden. Eén orgaan, dat inzicht heeft in alle bedrijfsactiviteiten en dat overleg voert met Europese collegatoezichthouders, is ideaal. Maar ik geef toe, politiek lijkt dat voorlopig niet haalbaar.''