Nieuwe Economie vraagt om spelregels

De Nieuwe Economie heeft Europa veroverd. De sociaal-democratie zou het nu als haar bijzondere taak moeten zien nieuwe instituties te creëren, zeker ook op sociaal gebied, vinden Frans Becker en Ben Dankbaar.

De Europese regeringsleiders hebben onlangs in Lissabon getuigenis afgelegd van hun opmerkelijke bekering tot de informatie- en communicatietechnologie. Het gebruik van computers en Internet op scholen en huishoudens in Europa moet drastisch omhoog. De achterstand op de Verenigde Staten moet worden ingelopen en worden omgezet in een economische voorsprong van de Europese Unie. De EU dicht zichzelf daarbij een actieve en stimulerende rol toe, onder meer door het stellen van ambitieuze streefcijfers.

Het sociaal-democratisch gehalte van deze top was – althans wat de politieke achtergrond van de deelnemende regeringsleiders betreft – hoog. Geldt dat ook voor de resultaten van de bijeenkomst? Algemener geformuleerd: in hoeverre hebben de sociaal-democratische partijen in Europa een positie bepaald tegenover de huidige economische trends, en welke conclusies zou de sociaal-democratie aan het oprukken van de Nieuwe Economie moeten verbinden?

Het positieve van `Lissabon' is, dat de sociaal-democraten in Europa naast de vertrouwde aandacht voor vraagstukken van herverdeling en economische stabiliteit nu ook een plaats in hun programma hebben ingeruimd voor economische dynamiek, innovatie en ondernemerschap. De nieuwe economische realiteit vereist een dergelijke heroriëntatie. Enerzijds heeft de technologische ontwikkeling de productieprocessen, vormen van dienstverlening en consumptiepatronen ingrijpend veranderd. Anderzijds zijn markten internationaler geworden, nemen de kwaliteitseisen die aan producten en diensten gesteld worden toe, en is de vraagzijde op de markt dominanter geworden.

Deze veranderingen komen samen in de overgang van de industriële massaproductie naar de kennis-intensieve diensteneconomie. De Nieuwe Economie is iets anders dan de post-industriële diensteneconomie, waar Daniël Bell al bijna 40 jaar geleden over schreef. Sinds 1960 heeft de revolutie in de informatie- en communicatietechnologie de diensteneconomie van de technologische basis voorzien op grond waarvan zij pas echt tot ontwikkeling kon komen.

Tegelijkertijd maakt de verwijzing naar Bells werk duidelijk dat de Nieuwe Economie diepe wortels heeft. We mogen ons niet op sleeptouw laten nemen door de opvatting dat alles opeens nieuw en anders is geworden, en voortdurend sneller verandert. De Nieuwe Economie is het resultaat van ontwikkelingen op langere termijn; en naast de nieuwe bestaat nog een heleboel oude economie.

Zoals het ontstaan van de industriële economie aan het eind van de 19e eeuw diepgaande institutionele aanpassingen vereiste, zo vraagt de Nieuwe Economie in deze tijd om institutionele vernieuwing, om nieuwe spelregels. Naar welk type institutionele vormgeving men streeft, is nog steeds een kwestie van politieke voorkeur. Sociaal-democraten hebben daarbij in de afgelopen eeuw steeds een tweeledig perspectief gehanteerd. Aan de ene kant hadden zij waardering voor de productieve kant van het kapitalisme. Maar tegelijkertijd hadden zij scherpe kritiek op de sociale en culturele gevolgen van datzelfde kapitalisme. Zij zijn het daarom als hun taak gaan zien de economie te organiseren naar maatstaven van sociale rechtvaardigheid; om zorg te dragen voor een institutionele inbedding van het kapitalisme.

Daarbij is het belangrijk te onderscheiden tussen de instituties die de nieuwe technologische basis ondersteunen (de opbouw en regulering van de economisch-technologische infrastructuur) en de instituties van maatschappelijke cohesie. Voor beide vormen van institutionele vernieuwing geldt dat ze vaak een zaak van de overheid zijn, maar ook andere instanties dragen bij aan institutionele vernieuwing, zoals bedrijven, ondernemersorganisaties, vakbonden, kerken, en single-issue-bewegingen. Vernieuwing van instituties is bovendien afhankelijk van hun voorgeschiedenis.

Gegeven het grote belang van kennis in de Nieuwe Economie, vormt het onderwijs één van de belangrijkste onderdelen van een politiek van infrastructurele vernieuwing. Onderwijs is meer dan een economische goed; het is een onmisbare bron voor economische ontwikkeling geworden. De overheid heeft onvoldoende aanvaard dat in de Nieuwe Economie beduidend meer in onderwijs en in leren geïnvesteerd moet worden dan in de oude. Een verdubbeling van de uitgaven daarvoor lijkt nauwelijks te veel: voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden; voor investeringen in nieuwe technologieën; voor faciliteiten voor training en ontwikkeling van werknemers (levenslang leren). Het gaat daarbij niet alleen om investeringen in het basis- en voortgezet onderwijs, waarnaar de laatste jaren de aandacht vooral uit is gegaan, maar ook om het hoger onderwijs. Incidentele impulsen voor onderzoek kunnen nauwelijks nog verhullen dat ook onze universiteiten te weinig middelen krijgen om zich temidden van de groeiende internationale concurrentie staande te kunnen houden.

In de programma's van sociaal-democratische partijen staat onderwijs hoog op de agenda. Het motto van Blairs regering is zelfs: education, education, education. De realiteit steekt over het algemeen echter nog tamelijk schril af bij de goede voornemens. Het ambitieniveau in Nederland op dit terrein is – na jaren van desinvesteringen – veel te laag.

Het grote belang dat kennis en onderwijs in de Nieuwe Economie toekomt, brengt tegelijkertijd ook nieuwe risico's mee, namelijk die van de meritocratie, waarin talent, vaardigheden en kennis bepalend zijn voor maatschappelijke positie en welvaart. Die risico's nemen nog toe, wanneer de beloning voor succes buitenproportioneel groot is. In de winner-takes-all-economie zijn kleine verschillen in kennis en talent al genoeg voor gigantische verschillen in inkomen. De Nieuwe Economie biedt daarom niet alleen mogelijkheden voor innovatie en economische ontwikkeling, zij stelt ook sociale samenhang en solidariteit op de proef. Vandaar dat de aandacht zich eveneens moet richten op de vernieuwing van de instituties voor sociale cohesie.

De oude instituties van sociale samenhang (de verzorgingsstaat, de traditionele arbeidsverhoudingen) staan onder druk. Dat heeft te maken met het feit dat in de Nieuwe Economie een andere werknemer centraal staat dan in de oude industriële economie. De instituties voor sociale cohesie die na de Tweede Wereldoorlog tot stand kwamen, oriënteerden zich op de laaggeschoolde fabrieksarbeider in de massafabricage. Richtinggevend voor het nadenken over arbeidsmarkt, arbeidscontracten en sociale zekerheid in de Nieuwe Economie is in veel gevallen de beter geschoolde, zelfstandig denkende, ondernemende adviseur of dienstverlener: iemand die niet betutteld wil worden en over de vaardigheden beschikt met onzekerheid om te gaan.

Problematisch zijn de regels van de Nieuwe Economie vooral voor de mensen met minder mogelijkheden om voor zichzelf te zorgen: de laaggeschoolden. Zo'n 30 procent van de werknemers werkt in maatschappelijk belangrijke, maar eenvoudige functies in de schoonmaakbranche, de verpleging en verzorging, de logistiek, de horeca. Deze mensen hebben geen arbeidsmarktpositie die hen helpt met onzekerheid om te gaan. Hun werk is vaak fysiek of psychisch belastend en biedt weinig mogelijkheden tot ontwikkeling. Let wel: dit zijn wel degelijk werknemers die horen bij de Nieuwe Economie. De vraag naar hun werk zal in de toekomst eerder toe- dan afnemen. Zij zullen echter weinig voordelen plukken van de Nieuwe Economie. Juist voor deze mensen dient een stevig fundament in het sociale gebouw te blijven bestaan, dient de kwaliteit van het werk te verbeteren en zijn gerichte inspanningen nodig om hun arbeidsmarktpositie te versterken. Daarbij kan het onderwijs in brede zin overigens ook een rol spelen.

De kenniseconomie vraagt van werknemers niet alleen kennis, maar vooral ook vaardigheden: om met onzekerheden om te gaan, om zelf oplossingen voor problemen te vinden; om zich aan te passen aan steeds wisselende omstandigheden. Juist zwakkere leerlingen en leerlingen die al met enige achterstand aan hun onderwijs beginnen, komen hier in de problemen. Zij raken verder achterop en verlaten voortijdig hun opleiding. De wijze van introductie van het studiehuis – een combinatie van verzwaring van de opleiding en een grotere nadruk op vaardigheden om zelfstandig te kunnen werken – is daarom risicovol.

Kwaliteitsverbetering in het onderwijs – om leerlingen beter toe te rusten voor de nieuwe kenniseconomie – en achterstandsbeleid gaan niet gemakkelijk samen. Als we niet oppassen levert de toerusting voor de kenniseconomie een groot aantal uitvallers op. Meer geld voor de onderwijssector is niet voldoende om dit vraagstuk aan te pakken; grote structuurwijzigingen helpen evenmin. Het zal er ook, en vooral, om gaan de onderwijssituatie op de scholen zelf te verbeteren: om doeltreffende methodieken te ontwikkelen; verstandige keuzes in het curriculum te maken; nieuwe perspectieven aan het zittende docentencorps te bieden in loopbaan, professionele ontwikkeling en werkomstandigheden; en nieuw talent tot het leraarschap te brengen. In de Nieuwe Economie is niet alleen behoefte aan meer investeringen in het onderwijs, maar ook aan een nieuwe generatie Theo Thijssens.

De sociaal-democratie, zo blijkt uit de top van Lissabon, heeft haar belangstelling voor innovatie en economische ontwikkeling herontdekt en het stimuleren van de kenniseconomie terecht hoog op de Europese politieke agenda geplaatst. Voor de sociaal-democratie houdt de Nieuwe Economie echter een dubbele opdracht in: niet alleen investeren in de nieuwe infrastructuur, maar ook zorg dragen voor nieuwe instituties van sociale samenhang.

Frans Becker is adjunct-directeur van de Wiardi Beckman Stichting, Ben Dankbaar is hoogleraar bedrijfskunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.