Nederland moet leerstoel in Londen koesteren

Vorig jaar besloot de Taalunie tot het stopzetten van de subsidie voor de leerstoel Nederlandse en Belgische geschiedenis aan University College London. Omdat de huidige hoogleraar Jonathan Israel gewoon in functie kon blijven, trok dat besluit nauwelijks aandacht. Maar nu vertrekt Israel naar het Institute of Advanced Studies in Princeton. Inmiddels heeft University College bekend gemaakt dat het geen opvolger wil benoemen. Het verdwijnen van die leerstoel zal een zware slag zijn voor de Nederlandse culturele aanwezigheid in het buitenland en voor de geschiedschrijving in Nederland.

Veel van het meest vernieuwende werk over de Nederlandse geschiedenis van de zestiende en zeventiende eeuw is tegenwoordig van Britse hand. Dat is geen toeval. In tegenstelling tot hun Nederlandse vakgenoten zijn historici in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten omringd door specialisten op alle terreinen van de Europese geschiedenis. Ze zijn de enige Nederland-specialist in hun universiteit en hebben collega's die werken aan Engeland en Schotland, Frankrijk en Duitsland, Spanje en Italië, Rusland en Polen. Evenmin als hun collega's kunnen ze het zich permitteren alleen voor hun 'eigen' regio belangstelling te hebben. Als ze een nieuw idee testen, doen ze dat voor een publiek dat bredere Europese verbanden ziet. Op hun beurt laten ze zich inspireren door de nieuwe vragen, de nieuwe methoden en de nieuwe bevindingen van hun vakgenoten. Het is die constante uitwisseling van ideeën die de Britse Europa-specialisten in staat stelt zo vernieuwend te zijn. Want het is niet alleen de Nederlandse geschiedenis waaraan ze zo'n formidabele bijdrage leveren.

Nederlandse historici houden zich voornamelijk met hun eigen nationale geschiedenis bezig, zeker waar het de tijd van de Nederlandse Opstand en de Gouden Eeuw betreft. Enkele jaren geleden bepaalde het ministerie zelfs expliciet dat Nederlandse geschiedkundigen zich moesten concentreren op het schrijven van de geschiedenis van Nederland. Paradoxaal genoeg voert het Nederlandse wetenschapsbeleid echter ook `internationalisering' hoog in het vaandel. Omdat steeds meer Nederlanders tegenwoordig in het Engels publiceren, bereiken hun bevindingen een groter publiek dan vroeger. Maar het onverminderde, zelfs groeiende, succes van de Britse Nederland-specialisten wijst op de essentiële brugfunctie die de laatsten nog steeds vervullen. Nederlandse historici hebben de inbreng van hun Britse vakgenoten broodnodig. Zij leveren ons die internationalisering. Tot nu toe betaalden we daaraan mee, maar het leeuwendeel van de kosten werd gedragen door de Britse belastingbetaler. Nederland en België zitten eigenlijk al sinds jaar en dag voor een dubbeltje op de eerste rang.

Waarom is die ene leerstoel nu zo belangrijk? Eén historicus meer of minder maakt toch geen verschil? Het probleem is dat juist deze leerstoel voor de Lage-Landenspecialisten in Groot-Brittannië een spilfunctie vervult. Het is de enige leerstoel voor Nederlandse en Belgische geschiedenis. Jonathan Israel is op het ogenblik de enige `Nederlandse' historicus aan de vele Londense universiteiten. Schama en Parker werken inmiddels in de Verenigde Staten, anderen zijn verspreid over een half dozijn universiteiten elders in het land. Londen is voor hen het centrale ontmoetingspunt. Het is de hoogleraar die dat mogelijk maakt. Nederland heeft cultureel-wetenschappelijke instituten in Parijs, Berlijn en Rome, in Madrid en Caïro, maar niet in Londen. Het subsidiëren van de leerstoel aan University College is bepaald geen hoge prijs voor de enorme bijdrage die historici in Groot-Brittannië leveren aan de Nederlandse en Belgische geschiedbeoefening. Zonder een centrale figuur kan het voortduren van deze gouden eeuw niet worden gegarandeerd.

De Taalunie heeft ongetwijfeld andere dringende taken en verplichtingen. Maar het zou uiterst droevig zijn als dit zou moeten leiden tot teloorgang van een bloeiende traditie. Hopelijk zullen de Taalunie en het ministerie wegen zoeken om de subsidie te handhaven, zoniet uit eigen middelen, dan met een beroep op andere fondsen of het Nederlands-Engelse bedrijfsleven. Wat in 1919, toen de leerstoel werd opgericht, kon, moet nu toch niet onmogelijk zijn.

Henk van Nierop is hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Judith Pollmann is Fellow en Tutor in Early Modern History aan Somerville College, Oxford.