Kust vol historie

De Britse zuidkust wordt wel, met enig understatement, de Engelse Rivièra genoemd. De toerist vindt er een bonte verzameling van kermisattracties, musea en krijgskundige relicten. Van duur tot goedkoop, van Torquay tot Brixham.

Om voor twintig penny met een verchroomd hijskraantje een kansarme greep te mogen doen in een terrarium vol nylon marsmannetjes en zieke pluche beesten moet je in Torquay zijn, aan de Engelse Rivièra. Gokhallen en toeristenwinkels (clotted cream sold here!), een paar oude suikeraartvormige gebouwen, met wervende tekstborden volgehangen ticket offices voor ferries die toeristen naar andere toeristenplaatsen en weer terug varen, zoveel palmen dat het meer weg heeft van de Engelse Costa del Sol, en 's avonds duizenden lichtjes in zuurtjeskleuren om te benadrukken dat het hier leuk is - het kan allemaal worden uitgelegd als Napoleons postume wraak voor Trafalgar, waar in 1806 zijn vloot door de Britten aan flarden werd geschoten.

Bij Torquay aan krijgsgeschiedenissen denken ligt voor de hand. Tijdens de oorlog met Frankrijk lagen Britse flotilles hier vaak te wachten op orders, maar het wachten duurde zo lang dat veel officieren hun gezinnen lieten overkomen om ze in de verveling te laten delen. Een deel bleef na de oorlog en later versterkten spoorlijnen en massatoerisme Torquays reputatie als de plek om je vakantieponden kwijt te raken en er een paar andere ponden bij te krijgen. Positief gevolg is dat je haast nergens in Engeland zo voordelig kunt overnachten als hier: honderden B&B's langs de invalswegen houden elkaars tarieven in toom, en voor 12 pond per nacht heb je het hier beter dan elders voor het dubbele - tenzij je belandt in hotel Fawlty Towers dat hier ook ergens schijnt te staan.

Heel duur kan ook. `No problem', reageert een ober in Torquays Imperial Hotel (sinds 1866) met onverholen dedain als ik laat weten niets te zullen drinken bij mijn prawn sandwich van vierentwintig gulden, minstens een gulden per garnaal. Dat is dan wel inclusief de wetenschap dat Torquays beroemdste inwoner, Agatha Christie (1890-1976) hier vaak kwam, en dat deze uitspanning voorkomt in drie van haar boeken – het uitvoerigst in Peril at End House, als Hotel Majestic in St Loo. Richting waanzinnig-grote-raampartij verheft zich een fraai geproportioneerde crèmekleurige colonnade, waartussen de essentie van de Engelse aristocratie gerechten ter waarde van golfclubs wegspoelt met wijn die per fles meer kost dan een volle tank voor een Bentley. Wat een verschil met vroeger! Hun allereerste voorouders op de Britse eilanden kwamen ook graag aan de zuidkust van Devon, maar het bestek was 500.000 jaar geleden van vuursteen en als hotel dienden grotten in de steile rotskust die aan gene zijde van de ramen nog steeds het uitzicht bepaalt.

De eerste Brittoïden vestigden zich hier vast vanwege de warme golfstroom en de lage stookkosten: in de bekendste van hun twintig ontdekte woongrotten – Kents Cavern, midden in Torquay – is het ook 's winters permanent elf graden. Wie wil, kan er onder leiding in, maar de mooiste vuistbijlen liggen gewoon in het vriendelijke museum, waar ook één van Torquays twee Agatha Christie tentoonstellingen is te zien met honderden boekomslagen en foto's. In 1915 werd Agatha Miller vrijwilligster in de Great War. Als leerling apotheker in het Town Hall Hospital bestudeerde ze The Art of Dispensing (1888): in een vitrine ligt het opengeslagen bij de paragraaf over strychnine, de doodsoorzaak in haar debut The Mysterious Affair at Styles (1921). En tijdens een stage bij een plaatselijke apotheker leerde Agatha hoe je iemand kon uitschakelen met curare; als Zachariah Osborne komt de man terug in The Pale Horse (1965).

Veel zwaardere middelen waren nodig om een Napoleontische landing te verhinderen, is te zien aan de overkant van de baai van Torquay, op Berry Head. In het eerste decennium van de 19de eeuw werd daar het ene na het andere gigantische fort gebouwd, met dikkere muren dan het verzameld werk van Agatha Christie. Zelfs wat er van resteert is genoeg reden om een invasiemacht niet hier aan land te zetten. Nu is het er prettig rustig. Voor de toeristenhordes van Torquay is Berry Head net iets te ver weg en er is geen militair meer te bekennen – alleen een onbemand station van de kustwacht en een minivuurtoren als schaalstok voor de 70 meter hoge, loodrechte kliffen rondom het smalle schiereiland. Hier landen is lastig – om te water te gaan volstaat een misstap of een sterke windvlaag.

Als je per stoel van je boot naar de wal wil, is het nabijgelegen Brixham geschikter. Philip Armitage, curator van het Brixham Heritage Museum, gaat voor naar een stevig houten exemplaar in een van de zalen en stelt dat het meubelstuk in elk geval eind 17de eeuws is. ,,De overlevering wil dat koning Willem III erin zat toen hij hier aan land werd gedragen'', zegt hij met een glimlach, ,,maar het is eerder een mythe, vrees ik.'' Zeker is weer wel dat de koning-stadhouder op 5 november 1688 in Brixham begon aan zijn protestantse mars op de katholieke Engelse troon. Voor 365 schepen met 15.000 man en 3.000 paarden was het haventje een factor vijftig te klein; de keus zou dan ook gemaakt zijn door het slechte weer, stelt Armitage, en delen van de vloot landden in de omgeving.

Engelands vrijheid door Oranje hersteld meldt de sokkel van een matig lijkend Willem-standbeeld aan Brixhams kade, en dan weet je wel dat het niet door Engelsen is opgericht. Als de storm de expeditie nabij Portsmouth had doen belanden, was het succes misschien minder groot geweest, want daar had koning James II zijn verdediging geconcentreerd.

Op zondag 11 november 1688 was Willem in de schitterende kathedraal van Exeter aanwezig bij een dankdienst voor de behaalde successen. Symbolisch genoeg zat hij vlak bij de kapel van Bonifatius, een missionaris uit Exeter die in de achtste eeuw het ware geloof naar onze streken wilde brengen. Sindsdien is er hier weinig veranderd, en aan de Engelse Rivièra is dat een aanbeveling. 's Werelds langste, gothische netgewelf overspant een weelde aan sereniteit, als ultiem contrast met de poel van commercie iets verder naar het westen.