Dodentrein al vijf jaar op zijspoor

In een trein in Rostov wachten nog steeds lichamen van soldaten die in de vorige Tsjetsjeense oorlog zijn gesneuveld op identificatie.

Meer dan vijf jaar al staat ,,de dodentrein'' op een zijspoor. Vastgeroest aan de rails, achter een hek met rode communistensterren en een waarschuwingsbord: ,,Indringers worden neergeschoten''. In vier koelwagons, waarvan de koeling niet meer werkt, liggen 277 onherkenbare soldatenlijken – nog uit de eerste Tsjetsjeense oorlog.

,,Vooral botten'', zegt een militair met geschouderd geweer, die de wacht houdt bij de wagons. ,,Vroeger was het hier niet te harden, dan kwamen er moeders hun zonen zoeken en moesten wij de deuren openzetten voor de identificatie.'' Nu snuffelt er alleen nog een zwerfhond rond op dit kazerneterrein op de oever van de Don.

Kolonel Vladimir Sjerbakov, die als directeur van het Forensisch Laboratorium 124 belast is met de identificatie, beaamt dat de dodentrein voor velen ,,een monument van schaamte en Kremlin-achteloosheid'' is. ,,Maar de schandvlek zou nog veel groter zijn als we lichamen in een naamloos massagraf hadden gedumpt.'' Zo sprongen de communisten met hun doden om, zegt hij, en het is pure winst dat Rusland zijn gesneuvelde zonen op z'n minst weer hun naam probeert terug te geven.

Aan een bureau vol orthodoxe iconen vertelt de kolonel over zijn laboratorium, waar continu nieuwe ,,vrachtjes tweehonderd'' (soldatentaal voor het transport van doden) uit Tsjetsjenië worden afgeleverd. Op de gang wachten familieleden op uitsluitsel over het lot van hun dierbaren. Sommigen, zoals Galina Matafonova uit Tver, hebben een bloedmonster afgegeven om haar DNA te laten vergelijken met dat van de zes verkoolde lichamen die in een uitgebrand pantservoertuig zijn gevonden. Zat haar Aleksej daar bij?

Sjerbakov: ,,Het collectieve denken van de Sovjet-tijd hebben we ingeruild voor de cultus van het gezin. Een goede zaak. Het is belangrijk dat het leger de restanten van de gesneuvelden, hoe verminkt hoe ook, mee kan geven aan de naaste familie.'' Zijn forensisch instituut noemt hij ,,de enige democratische structuur binnen het Russische leger''. En het moet gezegd: zijn werk wordt door de Russische comité's van soldatenmoeders gewaardeerd. ,,Dit is de eerste plek waar ik als mens word behandeld'', zegt Galina Matafonova uit Tver.

Het leger houdt familieleden als zij per telegram op de hoogte over de voortgang van het onderzoek en vergoedt het treinkaartje naar het zuidelijke Rostov aan de Don. ,,Hoe anders was dat vijf jaar geleden'', zegt kolonel Sjerbakov. ,,Toen waren er dagen dat ik dertig, veertig tierende vrouwen op m'n dak kreeg.''

Laboratorium 124, enig in zijn soort, was tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog (1994-1996) niet opgewassen tegen de stapels body bags van het front, vandaar de trein vol ongeïdentificeerde, onopgeëiste resten. Dit keer is alles anders. Al sterven er ook nu weer vele Russische soldaten (officieel staat de teller op 2.095), het aantal onherkenbare lichamen dat Sjerbakov en zijn staf te zien krijgt is beduidend lager. ,,De mentaliteit van de commandanten is humaner'', zegt de kolonel. ,,In de eerste oorlog wisten ze vaak niet eens wie er in hun eenheid diende, het liet ze onverschillig. Dit keer helpen ze actief mee met de identificatie.''

Het Kremlin heeft lering getrokken uit de nederlaag van 1996, toen het draagvlak in de samenleving razendsnel afbrokkelde, en hamert nu op beperking van de eigen verliezen. Voor het eerst wordt ook het nut van Sjerbakovs werk erkend en gewaardeerd: met nieuwe apparatuur, geld en een lintje voor de directeur. Zijn lab krijgt bijstand van het DNA-onderzoeksinstituut in St. Petersburg dat eerder de botten van de laatste tsaar en diens familie heeft helpen identificeren.

,,Sjerbakov is geweldig'', zegt Svetlana Lozjkina van het Comité van Soldatenmoeders in Rostov. ,,We hebben hem uitgeroepen tot Man van het Jaar 1999.'' Volgens haar is er een wereld van verschil tussen de eerste oorlog (,,die van Jeltsin'') en de tweede (,,die van Poetin''). Vijf jaar terug stond zij bijna dagelijks voor de kazernepoorten te demonstreren. ,,Wij willen onze zonen terug'', eisten de vrouwen. ,,Jullie willen het leger kapot maken'', was alles wat de generaals antwoordden. Nu houden de Moeders nota bene kantoor in het Militaire Hoofdkwartier en zijn ze nog niet een keer boos de straat op gegaan.

Lozjkina: ,,We beseffen dat het leger dit keer wel moest ingrijpen. Die Tsjetsjeense terroristen waren Dagestan binnengevallen, ze bliezen flats op tot in Moskou... Als Rusland lijdzaam had toegekeken waren ze steeds verder naar het noorden opgerukt.'' In haar spreekkamer hangen fotootjes van gevallen zonen èn verkiezingsposters van fervente Poetin-aanhangers. ,,Ik denk dat onze president oprecht begaan is met de levens van ons en onze jongens'', zegt Lozjkina. ,,Jeltsin kon het geen bal schelen, die behandelde rekruten als kanonnenvlees en hun lijken als afval.''

De soldatenmoeders, die in de vorige oorlog een beslissende rol speelden in het creëren van een anti-oorlogsstemming, hebben alleen kritiek ,,op de leugens over het aantal doden en vermisten''. Dat zou vele malen hoger liggen dan wordt toegegeven. Op Lozjkina's vraag: ,,Waarom vertellen jullie de waarheid niet'', antwoordde de commandant: ,,Dat is een militair geheim.''

Ook kolonel Vladimir Sjerbakov wil niets kwijt over het aantal ,,jongens in zink'' (afgeleid van de zinken doodskisten die in gebruik zijn) dat wekelijks op zijn stoep wordt afgeleverd. ,,Dat cijfer mag ik pas vrijgeven wanneer de oorlog is afgelopen'', zegt hij. ,,Ik kan alleen dit zeggen: in de tweede Tsjetsjeense oorlog zijn er tot nu toe 29 stoffelijke overschotten waarvan de identificatie nog niet is gelukt.''

Laboratorium 124 heeft van president Poetin opdracht gekregen om alle gevallen voor het einde van het jaar ,,uitputtend'' te onderzoeken. Sjerbakov en zijn laboranten staan onder grote druk om ,,de schande van de eerste oorlog'' niet te herhalen: een treinlading menselijke resten is genoeg. Een werkgroep van veteranen studeert inmiddels op de bouw van een nieuw monument voor ,,de onbekende soldaat'', boven op een grafkelder waar de inhoud van de koelwagons moet worden bewaard.