Afloop zaak-Chardzjiëv is ongeloofwaardig

Het bestuur van de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tchaga was dinsdag zichtbaar tevreden over de afloop van wat de zaak-Chardzjiëv is gaan heten. Op een persconferentie in het Stedelijk Museum in Amsterdam maakte het bestuur duidelijk dat er helemaal niets waar was van alle verhalen over malversaties inzake de collectie-Chardzjiëv in de pers. Het had geen enkele onrechtmatigheid geconstateerd in de afwikkeling van de nalatenschap van de in 1996 overleden Russische verzamelaar Nikolaj Chardzjiëv. Op de vraag waarom het oude bestuur van de Stichting in 1998 dan onder druk van het Openbaar Ministerie het veld moest ruimen voor een nieuw bestuur met ex-minister Job de Ruiter in de gelederen, antwoordde bestuurslid Bremer dat hij dat ook niet wist. Dat moest de ongelovige vragensteller maar aan het Openbaar Ministerie vragen.

In 1993 was Chardzjiëv met zijn vrouw Lidia Tsjaga naar Nederland geëmigreerd. Met hulp van de Keulse galerie Gmurzynska had hij zijn kunstcollectie met een geschatte waarde van 200 miljoen gulden en een groot deel van zijn archief met manuscripten en documenten de de grens over weten te krijgen. Gmurzynska deed dit niet voor niets. In ruil voor hulp bij de smokkel kocht de galerie vier schilderijen en twee gouaches van Kazimir Malevitsj voor het bespottelijk lage bedrag van 2,5 miljoen dollar.

Aan het einde van zijn leven richtte Chardzjiëv de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tchaga op. Een van de belangrijkste doelen van de Stichting was het bijeenhouden van de kunstcollectie. Na het overlijden van Tsjaga en Chardzjiëv werd in 1996 de Amsterdamse ex-notaris Michael Privé niet alleen de executeur testamentair maar ook het enige bestuurslid van de Stichting. In 1997 onthulde Volkskrant-journaliste Hella Rottenberg dat Privé de statuten van de Stichting had veranderd en vier topwerken van Malevitsj uit de collectie had verkocht aan Gmurzynska en een vijfde in commissie had gegeven. Ook dertig tekeningen van Lissitzky had Privé verkocht aan de Keulse galerie. In totaal hadden de kunstwerken 30 miljoen gulden opgeleverd.

Beweringen dat de opbrengst van de kunstwerken ten goede was gekomen aan Boris Abarov, een Russische emigrant en enig erfgenaam van Chardzjiëv, Privé zelf en nog enkele figuren die zich in de laatste paar jaar van Chardzjiëvs leven met hem en zijn vrouw hadden bemoeid, wees Privé in 1997 van de hand. Hij verklaarde toen dat het noodzakelijk om stukken uit de collectie te verkopen om de afwikkeling van de nalatenschap en niet betaalde rekeningen van Chardzjiëv te betalen. Erg overtuigend was Privés verklaring blijkbaar niet, want in 1998 dwong het Openbaar Ministerie hem als bestuurslid van de stichting Chardzjiëv het veld te ruimen. Het nieuwe bestuur kreeg onder meer de opdracht na te gaan wat er precies met de collectie-Chardzjiëv was gebeurd.

De geruststellende gedachte dat er niets aan de hand is werd dinsdag op de persconferentie vooral gerechtvaardigd door de bewering dat het Chardzjiëv zelf was die de vijf topwerken van Malevitsj aan galerie Gmurzynska wilde verkopen. Hij zou de verkoop al voor zijn dood in 1996 in gang hebben gezet. Na Chardzjiëvs dood had Privé als enig bestuurslid slechts de verkoop van vier schilderijen voltooid. Het was Privé zelfs gelukt om het vijfde schilderij van Malevitsj, dat al in commissie was gegeven aan Gmurzynska, terug te krijgen, zo liet hij vol trots weten. De opbrengst van de vier Malevitsjen, zo'n slordige 25 miljoen gulden, was voor Abarov, de enige erfgenaam van Chardzjiëv.

Dat Chardzjiëv zelf de vijf Malevitsjen aan Gmurzynska wilde verkopen, was een geheel nieuw verhaal dat om raadselachtige redenen niet al drie jaar geleden maar pas dinsdag naar buiten kwam. Op de vraag of er bewijzen voor de bewering waren, mompelde De Ruiter dat daar documenten van bestonden die hij niet kon prijs geven. Later beweerde bestuurssecretaris Bremer dat er ook `getuigenissen van betrokkenen' voor dit verhaal waren, maar welke dat waren kon hij ook weer niet zeggen.

Het verhaal dat Chardzjiëv zelf wilde verkopen staat haaks op eerdere beweringen van galerie Gmurzynska dat het initiatief van de verkoop van de vijf Malevitsjen uitging van Privé. Maar ook afgezien hiervan is het verhaal onwaarschijnlijk. Chardzjiëv was een obsessief verzamelaar die zijn hele leven had gewijd aan het bijeenhouden van zijn verzameling en juist hierom het chaotische en mafiose Rusland had verlaten. Hij had vermoedelijk ook weinig reden om de schilderijen te verkopen. Al in 1993 had hij voor 6 werken van Malevitsj immers zo'n 5 miljoen gulden gekregen van Gmurzynska. En als hij wél geld nodig had, dan zou één goede Malevitsj op de kunstmarkt al voldoende voor een miljoentje of 8.

Nog onwaarschijnlijker is dat Chardzjiëv uit verschillende gespecialiseerde galeries juist die van Gmurzynska koos om zijn Malevitsjen aan te verkopen. Ik heb zelden iemand zo hard horen schelden als Chardzjiëvs vrouw Tsjaga toen ik haar sprak over de rol van Gmurzynska bij hun emigratie. Vol verbittering sprak zij over `meedogenloze bedriegers'. Chardzjiëv zelf noemde in een interview uit 1995 Krystyna Gmurzynska, eigenares van de galerie, `een absoluut mafiose dame'. Zonder bewijzen of documenten is de bewering dat Chardzjiëv zelf de verkoop van de Malevitsjen aan Gmurzynska in gang heeft gezet, dan ook ongeloofwaardig.