Wie in Kilder woont, wil nooit meer weg

In het Gelderse kerkdorp Kilder zijn de verhoudingen vooroorlogs. Mensen helpen elkaar, zorgen voor elkaar en letten op elkaar. Met dank aan St. Jan.

Hoe oud zouden ze zijn? Zeventien hooguit. De bar staat inmiddels vol bierglazen, likeur, sterke drank. Nonchalant kijken ze de zaal in. De grootste, een rossige jongen met oorbellen, begint al een beetje te wiegelen. Het is kwart voor negen, de avond moet nog beginnen.

In Kilder, kerkdorp van de Gelderse gemeente 's Heerenberg, was het dit weekeinde groot feest. Drie dagen achter elkaar was er muziek en drank tijdens de `Millennium Party', georganiseerd door St. Jan. De Kast trad er op, Jovink en de Voederbietels en - als klap op de vuurpijl - Muziekvereniging St. Jan. In een grote feesttent, bij de rotonde. En avond aan avond verschenen trouw de Kildernaren.

Wanneer St. Jan iets organiseert, komt het dorp massaal in beweging. St. Jan, de naam voor zowel de schutterij als de muziekvereniging, is het cement van het dorp. De schutterij telt 560 leden, de muziekvereniging een kleine honderd. In Kilder wonen ongeveer 1.600 mensen – van elk gezin zit er wel iemand op de muziekvereniging of bij de schutterij.

Kilder is een hechte gemeenschap met een groot - bijna vooroorlogs - saamhorigheidsgevoel. Voorzitter Jos Godschalk van de schutterij roemt de manier waarop de mensen met elkaar omgaan. ,,De mensen hebben hier nog aandacht voor elkaar. Je kunt zonder probleem een beroep doen op de buurt. We staan hier voor elkaar klaar.'' Natuurlijk, zo zegt hij, ook hier is wel eens rottigheid. ,,Soms is de jeugd wat baldadig. Maar dan roepen we ze op het matje. Ophouden, anders laat ik je vader komen. En dan doen ze weer normaal.''

Ook anderszins heeft het dorp een zelfregulerend vermogen. Echt langlopende ruzies zijn er niet. Kunnen er ook niet zijn, zegt ras-Kildernaar Toon Arendsen. ,,Dat is niet te doen. Niet alleen zie je elkaar overal, je zit ook bij dezelfde verenigingen en hebt dezelfde vrienden en kennissen. Een ruzie lost snel op, en anders wordt het wel gestuurd door de vrienden.''

Wie hier woont, wil niet meer weg, zeggen ze in Kilder. Het gevolg is een bijna volledig autochtone bevolking in een dorp met een groot woningtekort. Veel huizen worden verbouwd, opdat de - getrouwde - kinderen bij de ouders kunnen blijven wonen. Godschalk doet dat zelf ook; dan heeft zijn getrouwde dochter een onderkomen. Omdat er de komende jaren niet mag worden gebouwd, trekken jongeren volgens Arendsen weg. De paar kavels die te koop worden aangeboden, zijn te duur voor de jeugd. Zelf heeft hij het huis van zijn ouders gekocht.

De 31-jarige Mirjam Engelen, lid van de muziekvereniging, verhuist binnenkort naar een nieuwbouwwijk in Doetinchem om op zichzelf te gaan wonen. Met tegenzin. ,,De mensen zijn hier inderdaad erg behulpzaam. Dat is iets van vroeger. Je zorgde voor je noaber, omdat je wist dat die ook voor jou zou zorgen.'' Engelen ziet in andere plaatsen en op de televisie dat die behulpzaamheid iets bijzonders aan het worden is.

Het kerkdorp wordt voor het eerst genoemd in 1340 als de nederzetting `Killer'. In de loop der eeuwen ontstaat er een buurtschap zonder echte kern. Er zijn wat boerderijen, met `volle boeren', `keuterboeren' en `daghuurders'. In 1886 wordt er - met behulp van de inwoners - een kerk met een parochie gebouwd. De kerk wordt gewijd aan Johannes de Doper: St. Jan. Tegelijk wordt er een schutterij opgericht, bedoeld om de katholieken te beschermen. Schutterij St. Jan is nu een goed voorbeeld van de manier waarop de mensen in Kilder met elkaar - willen - omgaan. In de jaren tachtig zetten de leden van de vereniging eigenhandig een clubhuis in elkaar, in de jaren negentig breidden ze het uit tot een professioneel onderkomen.

In totaal telt het kleine kerkdorp nu elf goedlopende verenigingen, variërend van de voetbalclub tot de vrouwenvereniging, van de EHBO tot de jeugdclub. Godschalk omschrijft de mensen als rustig en gemoedelijk. ,,We kijken hier nog naar het dorpsbelang. Als iemand hulp nodig heeft, dan krijgt hij die.'' Nog altijd is Kilder een agrarisch dorp, met voornamelijk boeren en bouwvakkers. Dat is gemakkelijk, omdat de meeste verbouwingen door de mensen zelf worden uitgevoerd. Godschalk: ,,Dan bel je even wat rond en vraagt wanneer ze kunnen komen. En je maakt een planning. Niemand moet, maar iedereen komt. Zoiets gaat in goed overleg.''

En Kilder heeft nog zijn tradities. Bij bruiloften wordt er met carbid geschoten, het zogeheten `Tweede gebod-schieten'. En bij nieuwe buren wordt er een `meiboom gezet'. De buurt haalt een dennenboom uit het bos, plant die in de tuin van de nieuwkomers. Die zorgen voor hun beurt voor bier en jonge jenever. ,,Niet dat dat moet, hoor'', zegt Arendsen. ,,Wie het niet wil, wordt echt wel met rust gelaten. Er is hier nog nooit iemand weggepest. Wie op zichzelf moet blijven, moet dat zelf weten.''

Godschalk zou niet weten wat er in Kilder zou moeten veranderen. ,,Laat het maar zo blijven. Ik zie niet dat de jeugd zich anders gedraagt dan toen wij jong waren. Laat Kilder maar gewoon Kilder blijven.''

Arendsen zit boven in de bestuurskamer van de schutterij. Van buiten klinkt uit de feesttent de muziek. Hij beschouwt Kilder als een paradijs-in-het-klein. ,,Ik ben hier geboren, en ik ga hier nooit weg.'' De sociale controle, die hoort bij de saamhorigheid, neemt hij op de koop toe. ,,Ik heb toch niets te verbergen?'' Maar, als hij er over nadenkt: ,,Je kunt inderdaad niet iets voor jezelf houden. Als er iets gebeurt, dan weet binnen een paar uur iedereen het. Als de klokken luiden, kijken we elkaar aan: wie zou er dood zijn? Dat weten we dan binnen de kortste keren.''