Terug naar de teach-in

Actiegroepen en politie bereiden zich voor op de zestiende april, de conferentie van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds in Washington. Als het aan het Direct Action Network ligt, zal de confrontatie van Seattle, november vorig jaar, worden overtroffen. `De ministers van Financiën en de internationale bureaucraten die als meesters van de wereldeconomie de rijken rijker en de armen armer maken, moeten weten dat Seattle niet kan worden beschouwd als zomaar een hobbel op hun weg naar de mondiale heerschappij', laten de actievoerders op hun website weten. (De New York Times vermeldt het adres erbij: www.a16.org).

In Seattle was al een rijke variatie van betogers aanwezig, van Amerikaanse vakbonden en Franse boeren tot anarchisten. Voor Washington heeft het protest zich nog beter voorbereid. Een grondige reportage in The New Yorker van deze week is onthullend: over de deelnemers, hun motieven, hun methoden, en vooral de sfeer. Het doet regelrecht denken aan de dagen van de sit-ins, de teach-ins, Woodstock, het Vietnam-protest, de beste tijd van Greenpeace. De schrijver, William Finnegan, vraagt zich af wat deze veelbelovende, keurige studenten en afgestudeerden ertoe heeft gebracht de voorkeur te geven aan het onzekere en armoedige activistenbestaan boven een gegarandeerde rijkdom als aankomend carrièrist bij een of ander bedrijf op de vrije groeimarkt. `Terwijl de rest van het land zich geobsedeerd over zijn aandelenportefeuille buigt, proberen zij, zoals ze het uitdrukken, als Don Quichottes de wereld van onder af te mondialiseren.'

Natuurlijk kunnen de leiders van de Wereldbank, het IMF en de WTO bewijzen dat hun organisaties uitsluitend werken ten bate van de hele wereld. En natuurlijk zijn deze nieuwe activisten (`Het anarchisme is terug', schrijft Finnegan) een kleine minderheid onder de vele miljoenen die in de Nieuwe Economie onophoudelijk welvarender worden en dus niets van welk radicalisme dan ook moeten hebben. De sit-ins waren gericht tegen het onrecht van de segregatie; de Vietnam-betogingen tegen de voortzetting van een verloren oorlog. Deze activisten keren zich tegen de rijkdom, in de bakermat van de rijkdom zelf, langzamerhand het volkskapitalisme van de Nieuwe Economie. Komen er rellen, wat niet onwaarschijnlijk is, lopen die uit de hand, dan krijgt `de anarchie' de schuld. Don Quichotte is zwak uitgedrukt.

Een week geleden stond op deze pagina een artikel van Michael Howard, in de regering van John Major minister van Binnenlandse Zaken. Amerika en Europa drijven uit elkaar, is de strekking. Hij signaleert `het Amerikaanse streven extraterritoriale jurisdictie uit te oefenen'. Hij citeert president Mitterrand: `Frankrijk weet het niet, maar we zijn in oorlog met Amerika. Jawel, een permanente oorlog, een levendige oorlog, een oorlog zonder doden. Ja, ze zijn staalhard, de Amerikanen, ze zijn gulzig, zij willen de ongedeelde macht over de wereld.' En de tegenwoordige minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk, Hubert Védrine, die de VS een `gevaarlijke hypermacht' noemt. Zo eenzaam als het op het eerste gezicht lijkt, zijn de Don Quichottes van Seattle en Washington niet.

Is het de nieuwste vorm van klassiek anti-Amerikanisme op z'n Frans? Nee. Daarmee zou het verzet van talrijke Amerikanen zelf die zich in de verste verte geen anarchisten noemen, worden miskend. Het is eerder een groeiende weerstand tegen het nieuwe primaat van de economie, waarvan Amerika nu eenmaal de motor is, en waaraan in andere landen met graagte wordt meegedaan door degenen die er de kans toe zien en er de smaak voor hebben. Het is de ambivalentie jegens het mondialisme dat dwingt tot schaalvergroting na schaalvergroting, van mega-overname tot giga-fusie. Aan de ene kant hebben miljoenen er baat bij. Ze voegen zich, ieder op eigen manier, in de cohorten van de Nieuwe Economie (wat dat ook zijn mag) en niet alleen in Amerika. De lotgevallen van World Online leren hoe we op de Amsterdamse beurs over onze hebzucht kunnen struikelen.

Maar meestal gaat het tot nu toe goed. En terwijl de geavanceerde mensen van het Westen als economisch individu profiteren, verliezen ze als politiek individu aan macht. Hun nationale staten geven gestaag terrein prijs aan de groeiende mondiale conglomeraten. De burger in het Westen wordt rijker in het economisch systeem, en intussen verschrompelt zijn macht als kiezer, deelgenoot in het politiek systeem. Daarin ontlopen Amerikanen en Europeanen elkaar niet veel.

De Amerikanen hebben twee voordelen. Hun economie groeit harder dan alle andere. Daaruit volgt dat ze zich, bewust of onbewust, de rest van de wereld ten voorbeeld stellen. Het tweede voordeel is dat ze de scheppers zijn van de meest consumabele en de ontvankelijkste cultuur. Dat is niet nieuw; zo is het al sinds Hollywood tot de wereldhoofdstad van de film werd, en zo is het gebleven, met BigMac en Windows 2000. Een niet overtroffen economisch succes, gevoegd bij de smakelijkste en efficiëntste consumptiecultuur betekent nu, door de mondialisering, de sneller voortgezette Amerikanisering van alle andere beschavingen.

Het anti-Amerikanisme is weer in. Aan de ene kant komt het voort uit het Europese besef tekort te schieten tot op de grens van hulpeloosheid, zoals in Kosovo is gedemonstreerd. Aan de andere kant houden veel Amerikanen er hebbelijkheden op na die wij hebben afgezworen, zoals de doodstraf en vrije verkoop van wapens. Deze opvattingen maken in Texas en Mississipi geen indruk. Michael Howard heeft gelijk. Amerika en Europa drijven uit elkaar. De oorzaken zijn nu ingewikkelder en duurzamer, en het moeilijkst is dat zoveel Amerikanen niet begrijpen waaraan ze het hebben verdiend, maar het zich wel kunnen veroorloven Europese kritiek en desnoods anti-Amerikanisme aan hun laars te lappen.