Netwerk Europa goed voor Nederland

De Europese Unie verandert in een netwerk waar papieren bevoegdheden minder belangrijk worden. Concurrentie en coördinatie tussen de lidstaten overvleugelen wetgeving uit Brussel. Nederland profiteert hiervan, meent Dick Benschop.

De landen van de Europese Unie regelen steeds meer zaken buiten `Brussel' om en Nederland dient zich daarover zorgen te maken, zo stelde Ben van der Velden, Brussels correspondent van deze krant, op de opiniepagina van 31 maart. Volgens hem moet Nederland zich, als kleinere lidstaat, juist verlaten op de Europese Commissie. Want alleen een communautair Europa beschermt de kleine EU-landen tegen de macht van de grotere lidstaten, vindt de auteur.

Deze stelling komt wat theoretisch over in het licht van de Europese topontmoetingen van de laatste jaren, waarbij Nederland uitstekend aan bod is gekomen. Of het nu ging om geld, de Europese defensiesamenwerking, de stappen naar een meer gezamenlijk asielbeleid of de vormgeving van de kennissamenleving. Toch is Van der Veldens analyse het overdenken waard. Zij is geworteld in de orthodoxie van de Europese integratie, die door velen in Nederland wordt gedeeld.

De Europese Unie verandert ingrijpend. Deze transformatie speelt zich op twee niveaus af: het karakter van het integratieproces en de verhoudingen tussen de lidstaten.

Europa is begonnen met kolen en staal, daarna kwamen de boeren. In de jaren tachtig werd de vrije interne markt ontworpen. Om deze tot stand te brengen is onder Brusselse regie een grootscheeps wet-en regelgevingsproject gestart. Alleen met gelijkluidende regels voor alle landen kon eerlijke concurrentie een kans krijgen. De interne markt is er gekomen, net als de gemeenschappelijke munt. De Brusselse wetgevingsmachine draait nu echter op veel lagere toeren, er is soms zelfs sprake van deregulering. Ook aan het besteden van geld via Brussel zijn grenzen gesteld.

En toch beweegt Europa, ook op economisch en sociaal terrein, waar de beleidsbevoegdheid voornamelijk bij de lidstaten ligt. De Europese integratie heeft een nieuwe motor: de positie van Europa in de wereld en vooral in de wereldeconomie. De welvaart en de sociale samenhang van morgen worden op wereldschaal beslist. Het bewustzijn dat wij daarvoor elkaar en dus Europa nodig hebben, is groeiende.

Elke lidstaat heeft daarmee belang bij goed beleid in een andere lidstaat. Regeringen beseffen dat zij van elkaar kunnen leren, of het nu gaat om de nieuwe economie, de verzorgingsstaat of het onderwijs. Op al deze terreinen wordt intensiever dan ooit informatie uitgewisseld, beleid en prestaties vergeleken. De keuken gaat open, achterblijvers worden aangespoord, iedereen wil tot de besten behoren. Richtsnoeren en scoreborden, vaak opgesteld door de Europese Commissie, bepalen hier de dynamiek, niet zozeer Brusselse wetgeving of Brussels geld. Lidstaten zijn een nieuw proces aangegaan van beleidsconcurrentie en coördinatie tegelijk.

De rol van de Europese Commissie is daarbij allerminst uitgespeeld. Zij wordt anders van karakter: minder wetgevend, maar wel degelijk initiërend en integrerend. De nieuwe integratiemethoden brengen de `Europese overheid' meer bij de tijd. De Europese Unie krijgt de trekken van een netwerk. Regie komt in de plaats van dictaten. De kwaliteit van ideeën is doorslaggevender dan papieren bevoegdheden.

Diversiteit wordt weer de kracht van Europa. Economische en sociale modernisering kan immers niet uitgaan van gelijkvormigheid. Met de ruimte voor experimenten is Europa een politiek laboratorium, waar risico's worden gespreid omdat van elkaars ervaring wordt geleerd.

In dit laboratorium zijn grote lidstaten niet bij voorbaat slimmer. Creativiteit, vitaliteit en wendbaarheid komen zeker ook uit de middelgrote en kleinere lidstaten. Zonder ons voor het poldermodel op de borst te willen slaan, zou het van een gebrek aan zelfbewustzijn getuigen als Nederland in dit proces geen interessante rol voor zichzelf ziet weggelegd. Bij voorkeur in de avant-garde op zoveel mogelijk terreinen.

De ontwikkeling in de krachtsverhoudingen binnen de Europese Unie – het tweede terrein van transformatie – werkt in het voordeel van Nederland. De verhouding tussen Frankrijk en Duitsland is, meer dan vijftig jaar na de oorlog, grondig gewijzigd. De Duitse `Einbindung', een soort zelfbeperking, is voorbij. De exclusiviteit van de Frans-Duitse as is niet meer. Het Verenigd Koninkrijk speelt onder premier Blair een zeer actieve rol. De Franse diplomatie – misschien wel de beste in Europa – beseft dat ze niet alle kaarten op één speler moet zetten. Het resultaat is opener verhoudingen, waarin ruimte ontstaat voor meerdere spelers. Ook Nederland kan, indien het kwaliteit levert en zich actief opstelt, zo'n speler zijn.

De grootste uitdaging voor dit nieuwe perspectief in het integratieproces ligt waarschijnlijk op het terrein van de buitenlandse politiek en de defensie. Traditioneel was het hier vaak ieder voor zich in plaats van samen. Toch lijkt het besef door te dringen dat een effectieve Europese rol in de wereld tot meer samenwerking dwingt. De huidige aanzetten, bijvoorbeeld het opbouwen van een Europese crisiscapaciteit, zien er goed uit. Het echte bewijs is echter nog niet geleverd. Dat geldt ook voor de vraag hoe open hier de samenwerkingsverhoudingen daadwerkelijk zullen zijn.

Javier Solana kan hierbij een belangrijke rol vervullen. Eindelijk krijgt Europa op buitenlands- en veiligheidspolitiek terrein een gezicht, figuurlijk en letterlijk. Solana begint daadkracht te tonen. Nu is het zaak geen koudwatervrees te hebben, maar Solana de ruimte te geven. Een effectief en gezamenlijk Europees buitenlands beleid is ook in het belang van Nederland.

Van der Velden verwijt mij te optimistisch te zijn. Ik zie ontwikkelingen die veelbelovend zijn, zowel voor de dynamiek van de Europese samenwerking als voor de positie van Nederland daarbinnen. Wie daarvan ten volle gebruik wil maken, moet niet bang zijn voor nieuwe verhoudingen.

Dick Benschop is staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.