Meneer De Haan

De kennismaking met meneer De Haan had ik feitelijk aan mijn vriendschappelijke relatie met mevrouw Staf te danken. Zij beheerde een uitleenbibliotheek annex winkel in schrijfbehoeften in de Rodenrijselaan, waar zij gekapt, gepoederd en goedlachs achter de toonbank was gezeten, terwijl haar deels door boekenrekken aan het oog onttrokken man en zoon in stofjas onduidelijke werkzaamheden op de achtergrond verrichtten.

Vanaf de dag dat ik, vijftien jaar oud, in de Rodenrijsestraat was komen wonen (het minder in aanzien zijnde verlengstuk van de Rodenrijselaan), werd ik, geboeid door de kleurrijke boekomslagen in haar etalage, à raison van tien cent per exemplaar een frequent afneemster van de uit het Engels vertaalde werken van Ethel M. Dell, Edgar Rice Burroughs en Edith Maude Hull – fascinerende leesstof voor boven de achttien die de juffrouw van de Gemeentebibliotheek in de Derde Pijnackerstraat mij weigerde mee te geven om me in plaats daarvan af te schepen met Cissy van Marxveldt.

Tijdens het langdurig overwegen met welke roman van genoemde auteurs ik mijn toenemende leeshonger zou stillen, ontsponnen zich levendige gesprekken tussen mij en mevrouw Staf, die intens meeleefde met mijn plannen om in de zeer nabije toekomst een klassieke balletopleiding te gaan volgen, filmster te worden, of desnoods schrijfster. Daar dit laatste het gemakkelijkst te verwezenlijken was, omdat het op de minste weerstand van mijn moeder stuitte, stuurde ik af en toe een sprookje naar de kinderkrant van het Rotterdamsch Nieuwsblad en schreef, geïnspireerd door de erotische inhoud van werken als De rotsen van Valprey, Tarzan van de apen en De sheik, schriften vol met een liefdesgeschiedenis die tragisch afliep. Ook waagde ik me aan een verhaal voor grote mensen met een vergelijkbaar droevig slot, dat volgens mevrouw Staf, aan wie ik het had laten lezen, ongetwijfeld in aanmerking zou komen voor Groot-Rotterdam, een van de populairste weekbladen. Hierbij had zij op een stapel fletsgroene tijdschriften naast de toonbank gewezen en me aangespoord naar het kantoor aan de Stationsweg te gaan, waar de redacteur, een zekere meneer De Haan, iedere zaterdagmorgen aanwezig bleek te zijn.

Meneer De Haan, die mij in een miezerig vertrek met uitzicht op een blinde muur ontving en wiens leeftijd moeilijk was te schatten, was corpulent en kalend, had een hoogrode gelaatskleur en kleine, witte handen. Half naar mij toegekeerd op de draaistoel achter zijn bureau staarde hij door een donkeromrande bril onthutst van mij naar de met één vinger op mijn vaders oude Remington getypte velletjes proza en informeerde voorzichtig naar mijn leeftijd – ik was inmiddels zestien geworden – en verdere schrijfprestaties, waarop ik hem alleen naar mijn onregelmatige bijdragen aan de kinderkrant kon verwijzen.

Niettemin ontving ik volkomen onverwachts een exemplaar van het veelgelezen periodiek met daarin mijn droevig relaas, verlucht door ene C. Damen en vergezeld van een postwissel ten bedrage van zeven gulden vijftig. In de mening dat ik van de ene op de andere dag schrijfster was geworden, haastte ik mij naar de winkel van mevrouw Staf, die verscheidene van haar cliënten reeds op het stuk van mijn hand had geattendeerd en mij aanraadde zowel mijn ballet- als mijn filmillusies te laten varen teneinde me geheel aan de letteren te wijden.

Overtuigd van haar gelijk, en aangemoedigd door meneer De Haan, begon ik me op het schrijven van korte verhalen – `schetsen' noemde ik ze – toe te leggen, niet alleen voor Groot-Rotterdam, maar ook voor het romanbijvoegsel van het Rotterdamsch Nieuwsblad, terwijl ik ze tevens op goed geluk, en zelfs met gunstig resultaat, naar de magazines Astra, Nova en Favoriet verzond (waarvoor ik ooit nog eens de zwemkampioenen Rie Mastenbroek en Willy den Ouden heb geïnterviewd). Bovendien vervoegde ik mij op verzoek van meneer De Haan elke zaterdagochtend op het redactiebureau om mijn medewerking te verlenen aan de wekelijkse fotoreportage, waarvan het onderwerp met Smit, de fotograaf, werd besproken. Alvorens we er dan gedrieën in Smits auto op uittrokken, werd er gewoontegetrouw een kop koffie gedronken bij Tivoli aan de Coolsingel, waar journalisten van de Rotterdamse pers aan een vaste tafel bijeen plachten te komen.

Mijn aandeel in deze reportages bestond erin dat ik tegen een bescheiden vergoeding de rol vervulde van bezoekster van tentoonstellingen, liefdadigheidsbazaars, jaarbeurzen en aanverwante evenementen, of bepaalde pittoreske plekjes in en om de stad met mijn aanwezigheid verlevendigde. Daarnaast verzorgde meneer De Haan, die een liefhebber van de negentiende-eeuwse dichtkunst was, een rubriek `Geïllustreerde poëzie'. Bij de totstandkoming hiervan diende ik onder meer gestalte te geven aan een gedicht als 'O, 't ruischen van het ranke riet' door voor Smits camera peinzend over de wuivende halmen van de Kralingse Plas te turen, of Frederik van Eedens legendarische ode aan de waterlelie uit te beelden door me in het landelijke gebied rond Terbregge behoedzaam over een van deze maagdelijke bloemen te buigen.

Tijdens de twee jaar van mijn betrokkenheid bij Groot-Rotterdam zorgde meneer De Haan ervoor dat ik lid werd van de kunstenaarssociëteit De Oase en in het benijdenswaardige bezit kwam van een perskaart, die mij gratis toegang verschafte tot alle bioscopen. Hij nam mij mee – ik at voor het eerst buitenshuis – naar Tivoli en het befaamde Coomans in de Hoofdsteeg, of naar het Italiaanse etablissement beneden in het Victoria Hotel aan het Willemsplein, waar hij voor zijn werk een paar dagen per week logeerde, aangezien zijn domicilie zich in Haarlem bevond.

Dit laatste werd er de oorzaak van dat ik de banden met meneer De Haan plotseling verbrak. Want toen hij me eens, alvorens het Italiaanse avondmaal met mij te delen, voorstelde het schitterende vergezicht over de Maas vanuit zijn hotelkamer te komen bewonderen, drong het in het trieste vertrek tot me door dat hij mij op slinkse wijze zijn gevoelens wilde tonen door mij te wijzen op de foto van mijzelf die levensgroot boven zijn bed hing.

Ook de bezoeken aan mevrouw Staf werden steeds schaarser, en ten slotte heb ik bij het verlaten van de ouderlijke woning niet alleen alle kranten en bladen met mijn geesteskinderen aan de vuilnisman meegegeven, maar ook alle nummers van Groot-Rotterdam met mijn foto's erin verscheurd.

    • Tonny van der Horst