Leerstoel voor geschiedenis in Londen opgeheven

De leerstoel Nederlandse geschiedenis aan het Britse University College London (UCL) wordt opgeheven. De leerstoel wordt nu nog bezet door Jonathan Israel, die binnenkort vertrekt naar het Institute for Advanced Studies in Princeton (New Jersey). In zijn plaats wordt een junior lecturer worden benoemd, aldus vanmorgen professor Michael Worton, vice-provost van UCL. ,,Er is geen historicus van de statuur van Israel om de leerstoel over te nemen en het UCL kampt met grote financiële problemen'', aldus Worton.

De Nederlandse Taalunie betaalde tot nu toe een derde van de kosten van deze leerstoel (net als van de hoogleraren Nederlandse taal en letterkunde aan het UCL), maar besloot in 1997 deze permanente financiering op termijn om te zetten in een projectmatige financiering. Eind vorig jaar had het UCL zich bereid verklaard de volledige kosten van Israels leerstoel te dragen, gezien diens internationale prestige. Israel werd vooral bekend door zijn boek The Dutch Republic. Its Rise, Greatness and Fall, 1477-1806 (1995). Nu Israel vertrekt, vervalt die toezegging. ,,Op projectmatige financiering kunnen we geen leerstoel onderhouden'', aldus Worton.

De secretaris van de Nederlandse Taalunie, Koen Jaspaert, zei vanmorgen verrast te zijn door de beslissing van het UCL. ,,Wij hadden niet begrepen dat die financiering afhankelijk zou zijn van de persoon van Israel.'' Hij kondigde aan het UCL om opheldering te vragen. Ook de Nederlandse ambassadeur in Londen, W.O. baron Bentinck van Schoonheten, die zich de afgelopen jaren heeft ingespannen om te bemiddelen tussen het UCL en de Taalunie, zei vanmorgen via zijn woordvoerder bezorgd te zijn. De ambassadeur zal ,,alles proberen om andere financiering te verkrijgen, mogelijk ook sponsoring door het Nederlands bedrijfsleven''.

De leerstoel Nederlandse Geschiedenis aan de Londense universiteit is opgericht in 1919, op initiatief van het Nederlandse bedrijfsleven, om het door de neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog enigszins geschonden Nederlandse imago in Groot-Brittannië te verbeteren. Het bedrijfsleven droeg ook een deel van de kosten.

De eerste hoogleraar was de invloedrijke en ook in het Engelse taalgebied bekende historicus Pieter Geyl (later Universiteit Utrecht). Later bezette onder meer E.H. Kossmann (later Rijksuniversiteit Groningen) de leerstoel.