Collectie Chardzjiëv overgedragen

Het bestuur van de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tchaga heeft het legaat van Chardzjiëv in ontvangst genomen. Dit maakte het bestuur van de stichting gisteren bekend op een persconferentie in het Stedelijk Museum in Amsterdam

De Stichting heeft een akoord bereikt met de erfgenaam van de Russische verzamelaar Nikolaj Chardzjiëv over de overdracht van Chardzjiëvs kunstcollectie. De fiscus accepteert dat erfgenaam Boris Abarov zijn successierechten over de erfenis betaalt in de vorm van een schilderij van Malevitsj dat hij in langdurige bruikleen geeft aan de Stichting. Ook het archief van Chardzjiëv heeft Abarov aan de Stichting toegekend.

Bij zijn emigratie naar Nederland in 1993 wist Chardzjiëv met hulp van de Keulse galerie Gmurzynska zijn collectie kunstwerken van kunstenaars als Malevitsj, Lissitsky en Larionov Rusland uit te smokkelen. Ook een deel van zijn archief met onder meer manuscripten en documenten van Russische schrijvers als Chlebnikov, Mandelstam en Achmatova wist hij de grens over te krijgen. Een ander deel werd onderschept door de Russische douane.

Nog tijdens zijn leven richtte Chardzjiëv de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tschaga op, die als een van de doelen het bijeenhouden van de collectie had. Na zijn dood in 1996 werd de ex-notaris Michael Privé niet alleen de executeur testamentair van de nalatenschap, maar ook het enige bestuurslid van de Stichting. In de laatste hoedanigheid veranderde hij de statuten van de Stichting, zodat het mogelijk werd om een deel van de collectie voor ongeveer dertig miljoen gulden te verkopen. De opbrengst ging gedeeltelijk naar de Russische emigrant Boris Abarov, die de verzorging van het echtpaar Chardzjiëv-Tsjaga in hun laatste dagen had geregeld.

Na een reeks artikelen in de pers over de gang van zaken rondom de collectie-Chardzjiëv nam de Nederlandse overheid de ongebruikelijke stap om onder dwang het bestuur van de private Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tchaga te vervangen door een nieuw bestuur, waarvan ex-minister van Justitie Job de Ruiter uiteindelijk de voorzitter werd. Dit nieuwe bestuur heeft nu, ruim twee jaar later, `geen enkele onregelmatigheid geconstateerd in de afhandeling van het legaat', zo liet het gisteren weten. De verkoop van vier schilderijen van Malevitsj voor ongeveer 22 miljoen gulden aan galerie Gmurzynska was al in gang gezet door Chardzjiëv zelf, aldus het bestuur. De schilderijen of de opbrengst daarvan behoren daarom niet tot de collectie die nu aan de de Stichting is overgedragen. De verkoop van ongeveer dertig werken van Lissitzky door Privé was onnodig, aldus De Ruiter, maar de ongeveer 3,5 miljoen gulden die deze hebben opgebracht, zijn wel geheel ten goede gekomen aan de Stichting. Voorlopig blijft de collectie-Chardzjiëv in depot bij het Stedelijk Museum, maar of de verzameling in bruikleen wordt gegeven aan het Museum, is nog niet zeker. Het bestuur van de Stichting gaat zich nu beraden over de toekomst van de collectie.

Toch is de kwestie-Chardzjiëv hiermee nog niet ten einde. Op 8 maart heeft Privé bij de rechtbank in Amsterdam een bodemprocedure aangespannen tegen uitgeverij Jan Mets en de journaliste Hella Rottenberg, die een boek over de zaak-Chardzjiëv heeft geschreven. Wegens smaad eist Privé dat Rottenbergs boek Meesters, marodeurs uit de handel wordt genomen en dat Rottenberg en Mets een schadevergoeding van 250.000 gulden betalen. Abarov heeft via zijn advocaat P. Nicolaï een aanklacht ingediend tegen twee in Nederland levende Russen wegens afpersing.