Bloem-doem

Hoe onvergankelijk is de poëzie van J.C. Bloem?

Die vraag kwam gisteravond steeds impliciet aan de orde toen twee generaties dichters en neerlandici zich tijdens een bijeenkomst van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) in de Balie over deze poëzie bogen. Inleider en dichter Ad Zuiderent wees erop dat Bloem bij het Nederlandse lezerspubliek nog steeds populair is: van de zeventig meest geliefde gedichten zijn er zeven van Bloem, die daarin alleen overtroffen wordt door Nijhoff.

Voor de ouderen in de Balie was er weinig aan de hand. A.L.Sötemann, Wiel Kusters, C.O.Jellema, Ad Zuiderent – zij onderstreepten zonder veel reserve de kwaliteiten van deze poëzie. Sötemann vond dat Bloems taal nu soms een wat plechtstatige indruk maakt, hij citeerde desondanks met instemming E. du Perron die erover gezegd heeft: ,,De onliteraire taal die toch volmaakt poëtisch is.''

Des te interessanter was het contrast met de meningen van de jongeren, die na de pauze aan het woord kwamen. Voor hen was Bloem geen onaantastbare grootheid meer. In hun jeugd waren zij geïmponeerd door deze poëzie, later hadden ze er steeds meer afstand van genomen. ,,Achteraf ben ik verbaasd dat ik in mijn jeugd niet voor veel vitalere gedichten heb gekozen'', zei Yra van Dijk, neerlandica en Volkskrant-recensent. De gedichten die ze vroeger het mooist vond, ervoer ze nu als beklemmend, te beklemmend. Ze wil nu vooral poëzie lezen die ,,uitzicht biedt op een uitweg''.

En, inderdaad, daarvoor moet je niet bij de man zijn die ooit dichtte:

Niet te verzoenen is het leven

Ten einde is dit wellicht nog

't meest:

Te kunnen zeggen: het is even

Tussen twee stilten luid geweest.

Albertina Soepboer, Fries dichteres, was diep onder de indruk geweest toen ze op haar vijftiende Bloems November had gelezen met die neerdrukkende laatste regels: Altijd november, altijd regen,/ Altijd dit lege hart, altijd. Ze herinnerde zich een eigen probeersel uit die jaren: ,,Dat waaien, al-tied dat waaien.'' Dat `altijd' – het klonk haar nu als een vloek in de oren. ,,Bloem-doem'', noemde ze het. Ze hekelde het archaïsche woordgebruik en de clichés, maar ze gaf toe dat Bloem met zijn beste regels ook nieuwe generaties zal blijven aanspreken. Haar jonge collega Ruben van Gogh was echter bij het doornemen van Bloems verzameld werk vooral getroffen door `de muffe aanschijn'.

Zo'n Bloem-avondje met kenners is altijd goed voor minstens één aardige anekdote. Wiel Kusters vertelde er een die hij bij Aya Zikken had gelezen. Bloem stond bekend om zijn luiheid. Zikken, Clara Eggink en Adriaan Roland Holst wilden de in Bergen woonachtige Lucebert opzoeken. Bloem bleef liever thuis. De andere drie togen naar het huis van Lucebert, die helaas onaanspreekbaar was: hij lag in diepe slaap voor de kachel. Ze keerden onverrichterzake terug, waarna Bloem zei: ,,Hij ziet daar ook niet zoveel in.'' ,,Waarin?'' vroegen ze verbaasd. ,,In dat bewegen'', zei Bloem.