Schrijvers tegen plan Letterenfonds

Het Fonds voor de Letteren wil zijn subsidiestelsel ingrijpend hervormen. Schrijvers krijgen geen automatische ondersteuning meer, maar moeten per project subsidie aanvragen. De Vereniging van Letterkundigen verzet zich tegen de plannen.

De radicale hervorming van het stelsel staat beschreven in Het gaat om kwaliteit, het beleidsplan dat het Fonds voor de Letteren heeft opgesteld voor de periode 2001-2004. Het Fonds schrijft in het plan dat het zich de afgelopen jaren te veel op het ondersteunen van zoveel mogelijk schrijvers heeft gericht en te weinig op het subsidiëren van literatuur. Bovendien was het systeem te ingewikkeld en niet flexibel genoeg. Het Fonds voor de Letteren keert jaarlijks rond de tien miljoen gulden overheidsgeld uit en is daarmee de belangrijkste subsidiegever van schrijvers en vertalers in Nederland.

De ruggengraat van de fondsactiviteiten was tot nu toe de zogenaamde werkbeurs die werd toegekend aan auteurs die twee of meer boeken hadden gepubliceerd. Die uitkering, uitgedrukt in `maandeenheden', steeg naarmate de schrijvers ouder of volgens het Fonds beter werden en werd verlengd als de auteur binnen een vastgestelde termijn een nieuw boek publiceerde.

Het Fonds meent dat die regeling `te weinig sturend' is. Om dat euvel te verhelpen moeten de werkbeurzen worden vervangen door `projectbeurzen', waarbij schrijvers op basis van een plan voor een boek geld kunnen krijgen. Zo maken ook goede maar minder ervaren schrijvers kans op ruime ondersteuning, zegt Sylvia Dornseiffer, directeur van het Fonds. ,,Tot nu toe was er een duidelijke hiërarchie in het systeem. Er was een kleine top van schrijvers en het duurde heel lang voordat je tot die top was doorgedrongen. Daardoor dreigde het lef uit de regeling te verdwijnen. Door de veranderingen moet een goede schrijver met een goed plan eerder geld kunnen krijgen.''

Het Fonds wil de subsidies bovendien onafhankelijk maken van het inkomen van de schrijvers en de `aanvullende honoraria' voor schrijvers en vertalers afschaffen. Dat zijn bedragen van meestal tussen de vijf- en tienduizend gulden die na verschijnen van een boek worden toegekend aan de schrijver of vertaler ervan, op basis van de kwaliteit. Daarvoor moest het Fonds de hele productie aan literaire boeken in Nederland beoordelen. Dat is te veel werk voor het relatief geringe subsidiebedrag. Het budget voor de aanvullende honoraria wordt overgeheveld naar de projectbeurzen.

De Nederlandse Vereniging van Letterkundigen is woedend over de plannen. Voorzitter Graa Boomsma verwijt het Fonds onbehoorlijk bestuur omdat er voor verschijnen van het rapport niet met zijn vereniging is gesproken. ,,Het is onbegrijpelijk dat er voor zo'n ingrijpende beleidswijziging niet is overlegd met de mensen die er het meest mee te maken krijgen: de schrijvers en vertalers.'' Hij vreest dat juist opkomende auteurs de dupe van de nieuwe regeling zullen worden. ,,Die belanden in een onzekere situatie. Schrijvers worden op deze manier een soort projectontwikkelaars. Dat is niet de hoek waarin je ze moet dwingen.''

Ook het afschaffen van de inkomensgrens verbaast Boomsma. ,,Het kan toch niet de bedoeling zijn dat een schrijver die in een andere baan bijvoorbeeld twee ton verdient, ook nog gesubsidieerd wordt voor een boek dat hij in zijn vakantie schrijft?'' Dat zou immers ten koste kunnen gaan van subsidies voor armlastige collega's.

Begin mei moet de Raad voor Cultuur advies over het beleidsplan hebben uitgebracht. Bij de verschijning van de Cultuurnota, in september, wordt duidelijk of Van der Ploeg de voorstellen van het Fonds overneemt.