Een formule met consequenties

Wat hebben World Online, Microsoft, Nasdaq en koningin Beatrix gemeen? Hun papieren zijn de laatste tijd gekelderd. De oorzaken van die baisses zijn niet zo gemakkelijk aan te wijzen. Ze hebben vaak meer met indrukken dan met feiten te maken. En met gelijk of ongelijk, schuld of onschuld hebben ze al heel weinig van doen.

Zo wordt koningin Beatrix plotseling verweten dat ze haar wil tegenover de ministers doordrijft. Als dat zo is, dan is dit niet haar schuld, maar die van de betrokken ministers, die dan blijkbaar schijtlaarzen zijn. Nergens staat dat ze, in het geheim beraad, niet haar mening kenbaar mag maken. Trouwens, de als lief bekend staande koningin Juliana kon haar ministers, op haar manier, ook flink onder druk zetten.

Er is slechts één recent feit dat koningin Beatrix verweten kan worden: haar opmerking over de pers: ,,De leugen regeert.'' Die was onberaden – ook als ze juist zou zijn geweest. Maar heeft die bijgedragen aan de daling van haar papieren? Het is niet zo zeker dat het grote publiek het niet met die opmerking eens is. Dat vindt ook dat politici zakkenvullers zijn.

Is de populariteit van de koningin dan ook wel zo gedaald als gesuggereerd wordt? De enquête van het Historisch Nieuwsblad, die vaststelde dat slechts 1,3 procent van de ondervraagden haar sympathiek noemt, is niet overtuigend: aan die enquête deden slechts 152 mensen mee.

Dit percentage is ook al daarom ongeloofwaardig omdat in 1999 volgens een opiniepeiling van de NIPO nog 78 procent de koningin sympathiek vond. Alles goed en wel, maar je maakt mij niet wijs dat de populariteit van de koningin in één jaar van 78 op 1,3 procent gedaald is. Zelfs voor de grootste monarchofoob is dat moeilijk te geloven.

Geloofwaardiger is de enquête wanneer zij vaststelt dat bijna de helft van de ondervraagden wil dat de koningin binnen nu en drie jaar, wanneer ze 65 wordt, met pensioen gaat. Zo'n opvatting kan namelijk heel goed samengaan met een hoge populariteit. Maar kan zij samengaan met de mythische functie van het koningschap?

Die vraag heb ik 23 jaar geleden ook in deze rubriek gesteld, toen de eerste geruchten de ronde deden dat koningin Juliana vroegtijdig zou aftreden (wat dan ook drie jaar later zou gebeuren). Naar mijn mening kon iemand die bij de gratie Gods koning(in) is – en zo worden de wetten nog altijd afgekondigd – niet zo maar besluiten dat die gratie afgelopen is. Dat kan God zelf alleen. Of zoals ik toen schreef:

Als de uitdrukking `bij de gratie Gods' iets betekent, ,,dàn dat de gratie Gods zal uitmaken hoe lang de Koning koning zal blijven. Als de Koningin koningin bij de gratie Gods is, dan is het niet aan haar te beslissen wanneer het ogenblik van heengaan is gekomen.'' Niet aan haar en – zo voeg ik er nu aan toe – niet aan anderen.

Dit standpunt kan heel wel verdedigd worden door mensen die zelf niet in God, en dus in zijn gratie, geloven. ,,Maar of men erin gelooft of niet – de gratie Gods is de enige legitimatie van een dynastie. De uitzonderlijkheid en de voorrechten van een koningshuis kunnen geen andere rechtsgrond, geen andere titel hebben.'' Niet alleen de voorrechten overigens, maar ook de ,,vaak onmenselijke lasten'' van het koningschap.

Hierop heb ik toen de nodige – meestal zeer serieuze – kritiek gekregen. Zo werd betoogd dat voor wie in God gelooft alles bij de gratie Gods is. Voor hen is de oorsprong van het koningschap niet goddelijker dan van welke functie ook. Dat zou betekenen dat de Koning, net als een ander, zijn taak kan neerleggen wanneer hem dat belieft. Mijn antwoord was (en is) dat, als dat zo is, het zinloos is die formule speciaal aan de koningstitel toe te voegen.

Toevallig had mr. D.J. Veegens ongeveer tezelfdertijd over die formule gesproken (tekst in het Nederlands Juristenblad van 5 maart 1977). Zijn stelling was dat de formule discrimineert ,,tussen gelovigen enerzijds en de twijfelaars en de ongelovigen anderzijds''. Zij kan dus niet langer dienen ,,als de noemer waaronder een overgrote meerderheid van de rechtsgenoten kan worden gebracht''.

Akkoord, maar als de formule wordt afgeschaft, dan vervalt de legitimatie van de uitzonderlijkheid van het koningschap, een uitzonderlijkheid die in de eerste plaats in de erfelijkheid tot uitdrukking komt. In feite komt het hierop neer: zonder gratie Gods – of die nu werkelijkheid dan wel fictie is – geen koningschap.

Veegens haalde ook – zij het niet met instemming – de eminente jurist Paul Scholten (1875-1946) aan, die in 1936 had geschreven: ,,Een koning kàn geen afstand doen. (...) een afstand (...) is met `t wezen van het koningschap in strijd. Koning is nu eenmaal geen baantje, geen ambt; men kan niet – als voor iedere andere functie – het voor en tegen van blijven en heengaan overwegen. Het koningschap is immers niet opgedragen door het volk, het kan niet teruggegeven worden aan het volk. Men wordt het niet door eigen wil – kan het dus ook niet zelf beëindigen.''

Nu was Scholten zelf gelovig. Hij geloofde dus in de gratie Gods. Voor niet-gelovigen – langzamerhand de meerderheid van het Nederlandse volk – is zij een fictie, maar een fictie die zij moeten aanvaarden als zij het koningschap willen blijven aanvaarden. Maar ook als fictie betekent de formule dat de Koning(in) niet eigenmachtig kan beslissen dat de gratie Gods niet meer werkt.

Artikel 37 van de Grondwet geeft hier de oplossing: als de Koning(in) er genoeg van heeft, kan het koninklijk gezag uitgeoefend worden door een regent. Die hoeft niet zonder invloed te zijn: het is koningin-regentes Emma die in de jaren tussen de dood van de laatste koning en de beëdiging van koningin Wilhelmina (1890-1898) de monarchie heeft gered.

Zo eindigt deze beschouwing dus toch nog met een beetje ,,oranjewarmte'', een begrip dat het liberale Tweede Kamerlid Te Veldhuis eergisteren, in een discussie in het televisieprogramma Buitenhof, tot een staatsrechtelijk beginsel verhief.