Met het wapen van de onschuld

Dat het de zestienjarige Yassin is met wie ik strijd moet leveren, komt niet onverwachts. Want Yassin viel al op tijdens de theaterles. Ik woonde die les bij vlak voordat ik Yassins klas van een collega overnam om de leerlingen eens op mijn gemak te kunnen bekijken. Op zeker moment vroeg theaterdocente Fluuske aan Yassin om `een gebaar door te geven'. De leerlingen stonden in een kring en ik verwachtte van Yassin, een lange, magere jongen, zoiets flauws als een gekke bek, een rare sprong, die de kleine, stille Sheima naast hem dan weer `door zou moeten geven'. Om zijn eigen verlegenheid te maskeren zou hij Sheima in verlegenheid brengen. Maar nee, Yassin deed iets anders. Hij boog zich over Sheima heen, fixeerde haar met een boze, dreigende blik, om plotseling vlak voor haar gezicht hard in zijn handen te klappen. Sheima schrok, vanzelfsprekend, en deinsde terug. Yassin lachte. Ik dacht: dat belooft wat.

Ik herinner me ook dat ik dacht: is het repertoire van deze leerlingen dan zó beperkt? Door de klas van Yassin over te nemen zou ik voor het eerst les gaan geven aan leerlingen die nauwelijks konden leren, of alleen met de grootste moeite, voor wie de mavo te hoog gegrepen was, die in het lager beroepsonderwijs terechtgekomen waren. Op de afdeling `Eerste Opvang' van het lager beroepsonderwijs overigens, want in de klas van Yassin, een `schakelklas', zaten louter allochtonen die pas in Nederland waren en eerst Nederlands moesten leren. Van mij, onder anderen.

Het verzet van Yassin kwam pas tijdens de tweede les. De eerste les had ik zijn speldeprikjes al wel gevoeld maar liet ik ze passeren. ,,Niet doen Yassin'', zei ik af en toe, als hij mij onderbrak, zomaar wat schreeuwde zonder zijn vinger op te steken, maar ik zei het zakelijk, keek hem niet lang aan en ging door met waar ik mee bezig was. Op zijn beurt liet Yassin dit passeren. Ook liet hij zich zijn gsm afpakken, toen die voor de tweede keer in de klas afging. Aan het einde van de les kreeg hij hem terug. Pas tijdens de tweede les zocht hij de confrontatie.

Waarom de confrontatie? Omdat Yassin zestien is, ongetwijfeld, en zich onhandig voelt in dat lange lichaam. Ik neem aan dat Rotterdam, waar hij nu een paar maanden woont, hem even vreemd is. Yassin, die zijn onzekerheid haat, zoekt vijanden die hij kan bevechten. Hij moet weten waar hij staat. Een nieuwe leraar biedt zich als het ware aan.

Als ik hem vraag de tekst bij oefening zestien voor te lezen, begint hij oefening vijftien op te dreunen. Onschuld is het wapen van de leerling. Yassin, begrijp ik onmiddellijk, `vergist zich' in de oefening.

Ik zeg: ,,Oefening zestien Yassin, niet vijftien.''

De jongen zit dichtbij, aan mijn rechterhand. ,,Zes?'' Hij kijkt moeilijk, alsof hij in het Nederlands nog niet kan tellen. Hij kan weliswaar nog niet veel meer, in het Nederlands, maar nu overdrijft hij toch.

,,Ja, zestien.''

Weer begint hij oefening vijftien voor te lezen.

,,Zestien Yassin'', zeg ik weer, ,,niet vijftien. Zestien.''

Yassin kijkt nietbegrijpend op, knikt een paar keer goedwillend, en begint voor de derde keer oefening vijftien voor te lezen.

Moet ik nu werkelijk geloven dat hij denkt dat zestien vijftien is? Nee, dat hoef ik niet te geloven. Yassin weet heel goed dat ik beter weet maar hij weet ook dat ik iemand die zich `vergist' moeilijk kan bestraffen.

Voordat ik kan reageren begint Temesgen uit Somalië zich ermee te bemoeien. Van achterin de klas roept hij: ,,Yassin! Zestien!''

Voor Temesgen spelen confrontaties zich niet af op het scherp van de snede, zoals voor Yassin. Aan zijn gezicht zie ik dat Temesgen het leuk vindt de leraar wat te pesten. Zeg ik nu niet al twee lessen lang dat er niet zomaar door de klas wordt geschreeuwd? Maar Temesgen kan nu volhouden dat hij het toch goed bedoelt, dat hij mij alleen maar wilde `helpen'.

Voordat ik hier weer iets van kan zeggen, heeft Yassin zich al omgedraaid, en roept hij naar Temesgen, met gespeelde verontwaardiging: ,,Wat jij praten Temesgen! Is Yassin nu lezen! Niet Temesgen lezen!''

,,Yassin lezen maar niet goed oefening'', roept Temesgen terug, ,,moet lezen zestien, niet vijftien.''

Ik zit erbij, kijk ernaar en voel ook wel bewondering voor de manier waarop zij mij, de leraar, buitenspel weten te zetten. Zijn deze leerlingen wel zo beperkt? Yassin die tot drie keer toe de verkeerde oefening voorleest, Temesgen die Yassin tot de orde roept, Yassin die zich omdraait om hem te antwoorden, wat kan ik ertegen doen? Doelbewust overtreden ze mijn regels, saboteren ze mijn les, ondermijnen mijn gezag. Een superieure improvisatie. Fluuske zou het eens moeten zien.

Al kan ik er eigenlijk weinig tegen doen, ik kan het ook niet laten passeren, niet tijdens mijn tweede les aan deze klas. Yassin moet hangen, hij vraagt erom.

    • Paul Verlaan