Gekibbel op de Olympus

De goden, zoals ze in de weer zijn over en in de Trojaanse oorlog in Homerus' Ilias, een boek dat na de boekenweek echt iedereen in huis schijnt te hebben, steeds weer doen ze onweerstaanbaar denken aan andere machthebbers. Alle machthebbers. Ze ruziën onderling, ze klagen tegen de baas over elkaar, ze proberen de boel te bedriegen en ze slagen er eigenlijk geen moment in om een of ander groter belang in het oog te houden. Ze zijn om kinderachtige redenen vóór of juist tegen Troje. Hera en Athene zijn kwaad omdat de Trojaan Paris hen niet de mooiste heeft gevonden, dus zijn ze met de Grieken. Poseidon is ooit door een Trojaanse koning bedrogen. Afrodite is juist verguld omdat ze wèl door Paris is gekozen. Zeus mag de Trojanen zo graag omdat ze zo veel en zo vaak aan hem offeren. Enzovoort. Gekibbel, eigenbelangetjes terwijl intussen mannen sterven, vrouwen weduwe worden, vaders hun zonen verliezen, vrouwen geroofd en verkracht worden terwijl, kortom, intussen zoveel toch al kort durende levens verwoest worden. De VN doen soms onweerstaanbaar aan die goden denken. Maar ook onze eigen politici lijken soms verbluffend veel op het bekvechtende zootje daar op de Olympus. Jammer dat ze niet door Homerus beschreven worden en dat we het steeds met hun eigen taaltje moeten doen.

Als Afrodite zich eens, onverstandig, in de strijd gemengd heeft en gewond is geraakt, snelt ze terug naar haar vader Zeus om zich te beklagen. Die zegt, in Gerard Koolschijns vertaling: ,,Veel last hebben wij van de mensen, steeds is er een god die hen steunt.'' 't Is of je Zalm hoort, die, als er een financiële meevaller is, zelf een strip in elkaar knutselt waarin de leden van de Tweede Kamer worden voorgesteld als de Zware Jongens omdat ze graag iets nuttigs met dat geld willen doen. Alleen boeven kunnen, in Zalms voorstellingswereld, het plan opvatten om geld uit te geven aan maatschappelijke dringende zaken. Gezondheidszorg of zo. Onderwijs. Ouderenzorg. Niets dan lastig gezeur, terwijl die centjes toch gewoon van hemelbestuurder Zalm zijn.

Zou, wie minister of staatssecretaris wordt, zich nu werkelijk een soort god voelen? Onaantastbaar? Bezig met heel andere dingen dan die arme stakkers daar beneden? Slordig op de hoogte van wat er leeft in de hoofden en harten van degenen wier belangen hij of zij wordt geacht te behartigen? De laatste tijd zijn de ongeruste geluiden over de almaar achteruitgaande gezondheidszorg tot een angstaanjagend geschrei uitgegroeid. Wie een beetje had opgelet zag deze hele situatie al jaren geleden aankomen, maar de Olympus had het blijkbaar druk met andere zaken. Of die smeet af en toe, als Zalm even niet keek, eens een zakje met geld naar beneden om dan te klagen dat de mensen nu nog steeds de problemen niet hadden opgelost. Ondanks hun goddelijke inspanningen.

Laatst was een hoogleraar oncologie op de televisie, die vertelde dat ook mensen met kanker nu al op een wachtlijst terechtkomen voor een operatie. Hij en zijn collega's maakten zich daar zeer bezorgd over. Maar de huidige regels maakten het onmogelijk om iedereen snel te helpen. In Vrij Nederland zei Jos Werner, voorzitter van de raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum St Radboud in Nijmegen: ,,Niemand is als gevolg van de vergrijzing op een wachtlijst gezet voor een AOW-pensioen. In de WAO is de uitkering misschien wel eens verlaagd, maar er is nooit gezegd: wacht u maar een half jaar. Dan hebben we weer geld en krijgt u waar u recht op hebt. [...] Maar iedereen vindt het zo langzamerhand gewoon dat zieke mensen maanden moeten wachten op een operatie terwijl ze wel premie hebben betaald.''

Dat er steeds minder verpleegkundigen te vinden zijn is ook geen nieuws, en ook dat was iets waar al jaren geleden op gewezen werd. Nu gaan ziekenhuizen proberen mensen uit Suriname en Zuid-Afrika hierheen te krijgen. In het VU ziekenhuis werken al tien Deense verpleegkundigen. Leuk als je die aan je bed krijgt als zieke bejaarde hoe goed en vriendelijk ze misschien ook zijn, een gewoon praatje valt er niet mee te maken. En het is te hopen dat ze de artsen goed begrijpen en vice versa. In de Volkskrant schreef Rudolph Geesink, hoogleraar orthopedie: ,,Inmiddels kunnen alle Nederlanders constateren dat ze in een der gezondste economieën ter wereld opgescheept zitten met een zieke gezondheidszorg.''

Dit is allemaal niet nieuw, het wordt zo langzamerhand zelfs lichtelijk vervelend omdat het al zo vaak gezegd is. Dat gebeurt altijd als er terecht aandacht voor iets gevraagd wordt: naarmate er minder aan gedaan wordt en men dus langer blijft klagen, krijgen de klagers steeds minder gelijk. Omdat iedereen dan begint te denken: daar heb je hen weer. Gaap. Zullen we nog een glaasje ambrozijn nemen.

Op een of andere manier is de politiek er ontzaglijk vaak in geslaagd om het onderwerp weg te moffelen, of, misschien nog erger, te gebruiken als inzet voor partijstrijd. Veel werk verzetten voor een gebied waarover niet dagelijks in de krant wordt geschreven, dat levert geen stemmen, geen roem, geen eer, geen ministerspost. Elke vier jaar proberen het onderwijs op een geheel nieuwe wijze ondersteboven te werpen, daarmee valt een politicus op. Maar zich inzetten voor goede thuiszorg, voor meer personeel in de bejaardenzorg, voor betere voorlichting en werkomstandigheden in de verpleging vóórdat die onderwerpen in het brandpunt van de belangstelling staan, daar is geen eer mee te behalen. Nú worden ineens allerlei wilde plannen bedacht waardoor de wachtlijsten als sneeuw voor de zon zullen smelten. Wachtlijsten zijn ineens in. Maar de onderwijzers die helemaal gek worden van het gebrek aan personeel en geld, daar luistert niemand naar. Tot ze gaan staken dan zijn zíj degenen die onverantwoordelijk bezig zijn.

Er moeten in Den Haag ook mensen werken die in de politiek zijn gegaan omdat ze wilden dat Nederland een land zou zijn waarin het goed leven is, en niet alleen voor degenen die rijk en gezond zijn. Ook voor krakkemikkige oude mensen, voor kinderen die thuis geen Nederlands leren, voor langdurig zieken, voor onderwijzers, voor leraren, voor moeilijk lerende kinderen, voor mensen die nu eens niet hooggeschoold zijn, die niet mooi zijn, niet wel ter tale, niet Nederlands, die geen geld als water verdienen en dat ook niet kunnen. Of willen. Maar die politici, die schoppen het niet ver. Die mogen op een afstand toekijken hoe de Olympiërs elkaar vliegen afvangen en hoe ze, als ze in hun tijdverdrijf gestoord worden door ons geroezemoes, zuchten: ,,Veel last hebben wij van de mensen.''