Zeeland

Als de trein naar Vlissingen na station Bergen op Zoom de scherpe bocht westwaarts heeft gemaakt, begint een andere wereld. Aan de dagelijkse veranderingen in de Randstad ben ik gewend. Ik heb, om een paar voorbeelden te noemen, Hoofddorp, de wolkenkrabbertjes van de Residentie en de skyline van Rotterdam uit de grond zien komen. Ik heb me er half mee verzoend dat het viaduct en de Maasbruggen door een tunnel zijn vervangen. Daarna komt de uitwaaiering, het vlees noch vis-landschap dat duurt, via Dordrecht en Rozendaal, met de korte onderbreking van het Hollands Diep, tot de Belgische grens, waar de Vlamingen het overnemen.

Ik ging dus deze keer naar rechts. Voor je het weet heb je de zandgrond van Brabant achter je gelaten. Je bent op Zuid Beveland. In deze buurt was ik een poos niet geweest – de laatste keer toen ik als 20-jarige met een stuk of tien lotgenoten onder leiding van een korporaal bij prachtig najaarsweer door het Zeeuwse slik baggerde, als onderdeel van de I.G.O. (Indonesische Gevechts Opleiding). In het begin loopt de spoorlijn langs de vlakte van land en water. Een paar kilometer verder is een kanaal met sluizen en aan de oevers windmachines, een stuk of 32 schat ik. Hebt u eens niets te doen, en bent u er gevoelig voor, ga er kijken. Het is een fantastisch gezicht – fantastisch niet in de zin van de reclamebetekenis – het super of ultiem – maar buiten de gebruikelijke werkelijkheid.

Een draaiende windmolen, zelfs als je weet voor welk nuttig doel hij dient en hoe hij werkt, heeft met zijn in de lucht malende wieken iets dat aan een mens doet denken. Iemand die in onbegrijpelijke tekens, wild zwaaiend je iets duidelijk probeert te maken. Deze tientallen op een rij zijn schipbreukelingen op het strand van een onbewoond eiland, die, na een eeuwigheid, eerst denken dat hun redding is komen opdagen, en dan ontdekken dat ze zich hebben vergist. Krankzinnigen; ook mogelijk. Ik kan me voorstellen dat Don Quichot tegen die wezens ten strijde trok. Dat waren nog maar ouderwetse Spaanse windmolens. Hier staan er twee rijen van zestien.

De trein rijdt verder, het perspectief verandert. Er komt een ogenblik waarop je ze allemaal achter elkaar ziet, hun propellers niet synchroon draaiend, maar ieder op zijn manier uit het gelid getreden. Zeeland begroet je met een zwijgend, waanzinnig zwaaiend windmolenpark. Op de achtergrond staat in silhouet het hefwerk van de sluizen, als een complex van middeleeuwse torens. Dikke grijsblauwe wolken hangen boven de vlakte. Dan breekt de zon door, laag onder het zwerk, als een voetlicht uit de kosmos. De molens staan plotseling krijtwit tegen de donkere verte getekend. Als Cervantes het had gezien zou zijn verhaal zich op Zuid-Beveland hebben afgespeeld. Niet voor niets zeggen we dat iemand `malend' is.

De trein rijdt verder, de onmetelijke vlakte in, met een horizon die alleen wordt onderbroken door rijen populieren en hier of daar een boerderij. Dat zie je behalve hier alleen nog in Flevoland, en heel even in Drenthe, ergens tussen Beilen en Assen in de buurt van de hunebedden. In Zeeland kom je langs andere plaatsen: Rilland-Bath, Krabbendijke, Kruiningen, Biezelinge, Kloetinge, 's Heer Hendrikskinderen. Het klinkt Nederlands, maar toch denk je er iets anders bij dan wanneer je langs Nieuw Vennep of Hilversum rijdt. Hoewel? Harmelen? Woerden? Je bent eraan gewend, maar denk er eens over na, alsof je die namen voor het eerst hoort. Ik weet het niet.

Voor iemand die er niet zo vaak moet zijn, heeft het Zeeuwse landschap de frisheid of de onbedorvenheid van wat in de rest van Nederland allang door het `poldermodel' is verkaveld, overwoekerd, in de voorbeeldige expansie van de Nieuwe Economie ten onder gegaan. (Ik mopper er niet over, al vind ik dat het op de meeste plaatsen heel wat mooier had gekund.) De verte van Zeeland heeft iets bewaard van een jeugd die je verder in het vaderland van vandaag vergeefs zoekt. Geen constipatie in de rijen van mensen die in wilde haast op hun beurt staan te wachten, geen gewichtig geschreeuw in een gsm, geen spontaan schuimbekken om niks, kortom, geen neopoldergedoe. Meer Ot en Sien dan Fokke en Sukke.

Ik zal het wel idealiseren. Na een halve etmaal ging ik alweer terug. Op het station en in de trein deed ik pogingen een reepje zuivere chocola te kopen. Alleen met nootjes, tropische vullingen, energie schenkende bijmengsels. Ik zei er iets over tegen degene met wie ik de coupé deelde. ,,Ik kan u wel een zuiver chocoladepaaseitje aanbieden'', zei hij. Graag. Dat was een passend besluit van een mooie reis naar Zeeland.