Wal en schip

TOT VOOR KORT werd ik regelmatig geraadpleegd door journalisten die iets wilden schrijven of een programma wilden maken over onderwijs. Niet over het hele onderwijs natuurlijk, maar over iets wat op dat moment in het nieuws was. Bijvoorbeeld de invoering van de basisvorming, de kosten van het wachtgeld, de werkloosheid onder leraren, de dreigende opheffing van scholen, gedwongen fusies, het abominabele niveau van lerarenopleidingen of noem maar op.

Omdat tot voor kort geen hond geïnteresseerd was in het wel en wee van het onderwijs, stonden die journalisten in de regel vrij blanco tegenover hun onderwerp. Die gesprekken hadden daardoor het karakter van een inleidend college, met als leereffect het inzicht dat het op alle fronten faliekant mis dreigde te lopen met het onderwijs, dat het onmogelijk was er één facet uit te lichten en daar een oplossing voor te zoeken, dat alles met alles samenhing, en dat het wachten was op de wal die het onderwijsschip zou keren. De politieke wil om iets te doen ontbrak, de maatschappelijke belangstelling was minimaal. Maar weten ze dat dan niet in Den Haag? zo luidde de logische vraag. Natuurlijk weten ze dat, was dan mijn antwoord, maar politici kijken nooit verder dan de volgende verkiezingen, steken hun kop in het zand en geven de boodschapper de schuld van alle ellende.

Inmiddels is er veel veranderd. De interesse voor onderwijs neemt met de dag toe. Er komen weer journalisten met verstand van zaken. Er komt eindelijk aandacht voor al die punten waarop het mis gaat met het onderwijs. De belangstelling voor het beroep, de kwaliteit van de opleidingen, de volstrekt onrealistische uitgangspunten van achtereenvolgens de Basisvorming, de profielen van havo en vwo en inmiddels ook die van het nieuwe vmbo. Treurig is natuurlijk wel dat men dat iedere keer pas ontdekt als men het onderwijs eerst massaal met de kop tegen de muur heeft laten lopen. Zo waag ik het te voorspellen dat er over hooguit 5 jaar `ambachtsscholen' zullen zijn waar de zwakste leerlingen (m/v) een vrijwel uitsluitend praktische opleiding krijgen. Maar voor het zover is zadelen we eerst nog de leraren in het vmbo op met de onmogelijke taak die leerlingen allerlei theoretisch onderwijs door de strot te duwen. Ook hier zal de wal uitkomst bieden.

De hernieuwde belangstelling voor onderwijs brengt het gevaar met zich mee dat charlatans het gebruiken om de aandacht op zichzelf te vestigen. De gepensioneerde professor Dolph Kohnstamm is zo'n charlatan. Hij duidt de achterstand van allochtone leerlingen als een rassenvraagstuk. Zo meldde hij in Nova van 31 maart het niet juist te vinden die achterstand toe te schrijven aan falend onderwijsbeleid, scholen of leerkrachten die niet goed hun best doen of aan verkeerde methodes: ``Dat kan voor een deel wel waar zijn, maar voor een veel groter deel dat we nu niet durven bespreken zijn het fundamentele verschillen tussen bevolkingsgroepen.'' Of het biologisch bepaald is of dat het anderszins in de genen terecht is gekomen, daarover durft de geleerde geen uitspraak te doen. Maar ``de mogelijkheid dat bijvoorbeeld kinderen afkomstig uit eeuwenlang geïsoleerde bergdorpen door reeksen interfamiliale (sic) huwelijken gemiddeld minder begaafd zijn dan kinderen uit stedelijke samenlevingen, verwerpen wij.''

Nu hij meent dat er publiciteit en applaus valt te halen met racistische verklaringen, dient Kohnstamm zichzelf aan als de held die openlijk bepleit dat hierover ``vrijer gesproken en gedacht moet kunnen worden, niet alleen in de privé-sfeer maar ook en publique''. Waarmee tenminste duidelijk is dat zijn privé-sfeer de mijne niet is.