Tanden transplanteren

De tandarts Hila Moscovich trok bij een patiënt een verstandskies. Met dat materiaal vulde ze een gat in hetzelfde gebit.

Kun je tanden transplanteren? Blijkbaar, de literatuur maakt er vaker melding van. Zo wordt in een artikel uit 1924 beschreven dat de vermaarde, in 1517 geboren, Franse tandmeester Ambroise Paré ergens in één van zijn boeken de onderstaande casus beschrijft. ``Een geloofwaardig man heeft mij eens verteld dat een voorname dame op de plaats van een uitgeslagen tand een gezonden tand, dien een kamenier zich terstond liet uittrekken, heeft laten inzetten. Deze groeide zoo vast dat zij er later zonder eenigen hinder mee kon eten''. Uit het artikel blijkt verder dat het in de 17de en 18de eeuw erg gebruikelijk was om transplantaties van tanden te laten uitvoeren. De auteur merkt op dat dat eigenlijk uitsluitend gebeurde `ter voldoening van de ijdelheid der welgestelden'. Toen echter werd geconstateerd dat de ziekte syfilis op deze wijze kon worden overgebracht en toen daarnaast artsen om humane redenen weigerden `den rijke te sieren met het eigendom van den arme' schijnt deze behandelingsmethode in diskrediet te zijn geraakt.

Uit een artikel uit 1910 blijkt dat er in het begin van de vorige eeuw in Denemarken al een tandenbank bestond waar min of meer gesteriliseerde gebitselementen werden bewaard om later gebruikt te kunnen worden voor eventuele transplantaties. Uitgetrokken tanden en kiezen werden al eeuwen gebruikt voor de vervaardiging van kunstgebitten. Zo zijn bijvoorbeeld gebitselementen uit de verse schedels van de pas gesneuvelden uit de slag bij Waterloo in 1815 door tientallen tandentrekkers uit heel Europa, die als kraaien om de slagvelden zwermden, rap geëxtraheerd en daarna tot in het einde van de 19de eeuw door tandtechniekers in prothese geplaatst.

Het is echter, voor zover ondergetekende bekend, nog nooit in de historie van de tandheelkunde voorgekomen dat er experimenten zijn beschreven waarbij natuurlijk tandmateriaal, te weten glazuur en tandbeen van getrokken tanden en kiezen, wordt gebruikt voor het vullen van gaten in gebitselementen. Onlangs is in Nijmegen een proefschrift van de Israelische tandarts Hila Moscovich verschenen waarin zij, in hoofdstuk 7, aangeeft dat het inderdaad mogelijk is goed passende vullingen van tandweefsel, buiten de mond, te vervaardigen. De procedure ging als volgt. Besloten werd een grote amalgaamvulling in de eerste grote onderkies van een van de kaakhelften bij iemand te vervangen. De vulling werd uitgeboord en het ontstane gat maakte men vervolgens geschikt voor een, buiten de mond, te vervaardigen vulling. Daarna trok men, bij dezelfde persoon, een dwarsliggende verstandskies met ongeveer de vorm van het te vullen gebitselement. Hierna werd met behulp van een Celay kopieer-freesmachine — in feite eenzelfde soort apparaat waarmee sleutels worden gekopieerd en waarmee binnen de tandheelkunde al ervaring is opgedaan met het vervaardigen van vullingen van keramisch materiaal — uit de getrokken verstandskies een bepaalde type vulling gesneden. Deze vulling werd, net als dat met gouden of porseleinen vullingen gebeurt, met een composiet-cement in de kies vastgezet. Het tandweefsel bleek uitstekend freesbaar. Met behulp van digitale beeldanalyse kon men vaststellen dat de procedure accuraat was uitgevoerd. Uit de coupes van de preparaten bleek de `natuurlijke' vulling goed aan te sluiten aan het, met de boor, geprepareerde gat. Moscovich constateert dan ook dat het thans mogelijk is, met een kopieer-freessysteem, goed passende restauraties uit humaan tandweefsel te vervaardigen. Inmiddels hebben zes personen dergelijke vullingen in hun mond. Korte termijn evaluaties wijzen uit dat er geen noemenswaardige problemen konden worden vastgesteld. Overigens zal het nog wat jaren duren voor de resultaten op langere termijn bekend zullen zijn.

Deze originele methode van het vervaardigen van vulmateriaal past in de eeuwenlange zoektocht naar de ideale vulling. Onderzoekers tobben nog steeds met dit vraagstuk en de industrie heeft inmiddels miljoenen besteed aan de oplossing ervan. Bekend is dat ons eigen glazuur van tanden en kiezen, het hardste lichaamsmateriaal dat er bestaat, eigenlijk onvervangbaar is. In die zin is de gedachte van Moscovich om dit materiaal te gebruiken logisch. Maar in natuurlijk glazuur kan tandbederf ontstaan. Zij heeft (nog) geen antwoord kunnen geven op de vraag of deze natuurlijke vullingen vatbaar zijn voor cariës. Bovendien heeft ze geen oplossing kunnen vinden voor het cruciale probleem van de lekkage van speekselvocht naast de vulling. Immers vullingen, die buiten de mond zijn vervaardigd, moeten worden vastgecementeerd. De miniscule ruimte tussen de glazuurranden van het gat en de te plaatsen vulling is uiterst gevoelig voor het speekselvocht. Als zodanig is het gevaar op nieuw tandbederf, niet alleen op de vullingen van natuurlijk gebitsmateriaal maar vooral ook er naast, altijd reëel. Zo roept dit proefschrift wel meer vragen op. De problematiek is vooral vanuit het gezichtspunt van de tandarts bekeken en niet vanuit de patiënt. De kosten van dergelijke behandelingen kunnen ook een factor zijn om ze maar niet uit te voeren. Enzovoorts. Dat neemt echter niet weg dat de oorspronkelijke gedachten van Moscovich wel degelijk de moeite waard zijn om haar behandelconcept nader te onderzoeken.

Literatuur: Moscovich, Hila. A new restorative concept for copy-milled inlays. A study of two new techniques. Thesis Katholieke Universiteit Nijmegen, Januari 2000.